Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
gehele bedrijfspand [adres] ”te betreden (zie rov. 2.1.10), is in dat licht ongerijmd. Het hof kan aan die mededeling evenwel niet de conclusie verbinden dat [geïntimeerde] Rozentuin of door Rozentuin gemachtigde derden ook daadwerkelijk heeft belemmerd om het niet aan [geïntimeerde] verhuurde gedeelte van de aanbouw te betreden en te (doen) exploiteren. Zo is gesteld noch gebleken dat Rozentuin zich tegen de mededeling van de advocaat van [geïntimeerde] heeft teweergesteld door toegang tot het niet verhuurde gedeelte van de aanbouw te vorderen en [geïntimeerde] te wijzen op de consequenties (van oplopende schade bij Rozentuin of derden) indien de toegang zou worden geweigerd. Evenmin is gesteld of gebleken dat Rozentuin heeft gepoogd zich feitelijk toegang tot de aanbouw te verschaffen, maar dat zij daarin door [geïntimeerde] werd tegengehouden. Van het bestaan van feitelijke toegangsbelemmeringen is ook onvoldoende gebleken: bij gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft [geïntimeerde] althans onweersproken aangevoerd dat Rozentuin beschikt over een sleutel van de aanbouw en dat de aanbouw niet van een alarm is voorzien. De stellingen van Rozentuin volstaan daarom niet voor de gevolgtrekking dat [geïntimeerde] Rozentuin de toegang tot het niet verhuurde gedeelte van de aanbouw daadwerkelijk heeft belemmerd en het daardoor onmogelijk heeft gemaakt om dat gedeelte van de aanbouw te exploiteren. Ook indien wordt aangenomen dat [geïntimeerde] wel is tekortgeschoten jegens Rozentuin door de eerdergenoemde mededeling van haar raadsman, is die tekortkoming onvoldoende ernstig om ontbinding te rechtvaardigen.