ECLI:NL:GHAMS:2017:1291

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
14 april 2017
Publicatiedatum
14 april 2017
Zaaknummer
R 000050-17
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
  • Leenaers
  • Röttgering
  • Dalebout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 89 SvArt. 90 lid 3 SvArt. 591a SvArt. 23 lid 5 SvArt. 9a Sr
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning vergoeding kosten verzoekschrift na overlijden verzoeker zonder verrekening boetes

De nabestaanden van de overleden verzoeker hebben hoger beroep ingesteld tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam die een vergoeding van €550 toekende, maar dit bedrag verrekende met openstaande geldboetes. Tijdens de behandeling bleek dat verzoeker op 17 november 2016 was overleden.

Het hof oordeelt dat de rechtbank ten onrechte tot verrekening is overgegaan zonder de verzoeker en zijn advocaat de mogelijkheid te geven kennis te nemen van de onderliggende gegevens van het CJIB. Dit is in strijd met de procesorde en leidt tot nietigheid van de beschikking.

Verder stelt het hof vast dat de strafzaak zonder strafoplegging is geëindigd en dat het CJIB bij overlijden geen openstaande boetes meer executeert. Daarom is verrekening niet mogelijk. Het hof vernietigt de beschikking van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond en wijst het verzoek tot vergoeding van €550 toe aan de nabestaanden van verzoeker.

De beschikking is uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 14 april 2017, waarbij de vergoeding wordt betaald uit de Rijkskas.

Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vergoeding van €550 toe zonder verrekening van openstaande boetes vanwege het overlijden van verzoeker.

Uitspraak

beschikking
GERECHTSHOF AMSTERDAM
Rekestnummer: R 000050-17 / (591a Sv HB)
Parketnummer in eerste aanleg: 13-702002-16
Beschikking op het hoger beroep tegen de beschikking van de strafkamer van de rechtbank te Amsterdam van 2 september 2016 op het verzoekschrift krachtens artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1954,
overleden op 17 november 2016,
namens wie de nabestaanden in rechte optreden en die
domicilie gekozen hebben ten kantore van advocaat,
mr. C.J. Nierop, Prof. Tulpstraat 16, 1018 HA Amsterdam.

1.Inhoud van het verzoek

Het verzoekschrift strekt tot het verkrijgen van een vergoeding uit ’s Rijks kas ten bedrage van € 550,-- ter zake van de kosten die [verzoeker] heeft gesteld te hebben gemaakt ten behoeve van het opstellen, indienen en toelichten van dit verzoekschrift en het gelijktijdig ingediende verzoekschrift op de voet van artikel 89 Sv Pro.

2.Procesverloop

De rechtbank heeft het verzoek toegewezen en het toe te kennen bedrag verrekend overeenkomstig artikel 90, lid 3 Sv.
Het hoger beroep is ingesteld namens [verzoeker] voornoemd. Tijdens de behandeling in hoger beroep is gebleken dat hij op 17 november 2016 is overleden.
Het hof heeft kennis genomen van de stukken in de strafzaak met voormeld parketnummer en heeft op 17 maart 2017 de advocaat-generaal en de advocaat van de erfgenamen van [verzoeker] ter gelegenheid van de openbare behandeling van het verzoekschrift in raadkamer gehoord.

3.Beoordeling van het hoger beroep

Het hoger beroep is tijdig ingesteld.
De rechtbank heeft het verzoek (evenals het verzoek tot schadevergoeding) toegewezen, maar het toegewezen bedrag verrekend met twee strafbeschikkingen en een geldboetevonnis met CJIB-nummers 3132 5420 0252 6424, 5132 5420 0243 0835 en 6022 5424 0317 6934. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat uit gegevens van het CJIB blijkt dat verzoeker op grond van een jegens hem uitgesproken, onherroepelijk geworden vonnis of arrest en/of uitgevaardigde, onherroepelijk geworden strafbeschikking verplicht is € 144,00, € 142,00 en € 217,00 aan de Staat te betalen.
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot gegrondverklaring van het appel en verzocht de gevraagde vergoeding toe te wijzen. Zij heeft voorts medegedeeld dat uit navraag bij het CJIB is gebleken dat in geval van overlijden eventuele openstaande boetes niet meer worden geëxecuteerd en het hof verzocht niet tot verrekening over te gaan, gelet op het overlijden van [verzoeker] voornoemd.
Het hof overweegt als volgt.
De strafzaak met voormeld parketnummer is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.
Art. 90, lid 3 Sv luidt: ‘Indien de rechter beslist tot het toekennen van een schadevergoeding, wordt het uit te keren bedrag verrekend met geldboeten en andere aan de Staat verschuldigde geldsommen, tot betaling waarvan de verzoeker bij onherroepelijk geworden vonnis of arrest in een strafzaak is veroordeeld of tot betaling waartoe de verzoeker op grond van een jegens hem uitgevaardigde, onherroepelijk geworden strafbeschikking verplicht is, een en ander voor zover die nog niet door hem zijn voldaan.’
Op grond van de geciteerde bepaling is de rechter, wanneer hij een schadevergoeding ex art. 89 Sv Pro toewijst, verplicht tot verrekening indien de mogelijkheid hiertoe bestaat. Dit geldt eveneens bij het toewijzen van een vergoeding op grond van art. 591a Sv, nu het vierde lid van dat artikel de hierboven geciteerde bepaling van overeenkomstige toepassing verklaart. Deze verplichting betekent evenwel niet dat verrekening slechts een kwestie van executie is.
De behandeling van verzoeken ex art. 89 en Pro 591a Sv vindt plaats in openbare raadkamer. Het onderzoek in raadkamer strekt zich gelet op het voorgaande mede uit tot de vraag of de mogelijkheid tot verrekening bestaat. In de rechtbank Amsterdam is de praktijk ontstaan verzoekschriften ex art 89 en Pro 591a Sv zonder behandeling in de openbare raadkamer af te doen, indien volledige overeenstemming bestaat dat de verzoeken kunnen worden toegewezen. Van een dergelijke overeenstemming was in de onderhavige zaak echter geen sprake, nu de advocaat onweersproken heeft gesteld dat hij niet beschikte over het overzicht van openstaande zaken van het CJIB, op grond van welk stuk de rechtbank tot verrekening van de toegekende vergoeding is overgegaan.
In artikel 23, vijfde lid, Sv, welke bepaling van overeenkomstige toepassing is op de onderhavige procedure, is de bevoegdheid neergelegd tot – kort gezegd – kennisneming van de stukken die op de zaak betrekking hebben en die de basis kunnen vormen van de te nemen beslissing. Deze bevoegdheid is vanuit een oogpunt van behoorlijke procesorde van zo wezenlijke betekenis, dat niet-inachtneming daarvan nietigheid van de behandeling en de beschikking meebrengt.
Nu [verzoeker] en zijn advocaat destijds niet de gelegenheid hebben gehad kennis te nemen van voornoemd overzicht en dit de basis vormde voor de verrekening en geen behandeling in raadkamer heeft plaatsgevonden waarop dit stuk aan de orde is geweest, zal het hof het hoger beroep gegrond verklaren en de beschikking van de rechtbank vernietigen.
Nu het hoger beroep gegrond wordt geoordeeld zal het hof bevelen hetgeen overeenkomstig de bepalingen der wet had behoren te geschieden.
Het hof acht evenals de advocaat-generaal en de advocaat gronden van billijkheid aanwezig voor toekenning van een vergoeding (zoals verzocht) van € 550,00. Voorts is het hof van oordeel dat geen verrekening kan plaatsvinden nu [verzoeker] is overleden en de advocaat-generaal in raadkamer heeft medegedeeld dat het CJIB bij overlijden de tegen de overledene openstaande boetes niet meer executeert.

4.Beslissing

Het hof:
Verklaart het beroep gegrond.
Vernietigt de beschikking waarvan beroep.
Wijst het verzoek toe.
Kent uit ’s Rijks kas aan [verzoeker] voornoemd een vergoeding toe van € 550,-- (vijfhonderdvijftig euro).
Beveelt de onverwijlde betekening van deze beschikking aan de erfgenamen van [verzoeker] voornoemd.
Deze beschikking is gegeven door de meervoudige raadkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Leenaers, Röttgering en Dalebout, in tegenwoordigheid van mr. Groenenberg als griffier, is ondertekend door de voorzitter en de griffier en is uitgesproken op de openbare zitting van dit hof van 14 april 2017.
De voorzitter beveelt:
de tenuitvoerlegging van deze beschikking voor een bedrag van € 550,-- (vijfhonderdvijftig euro), te betalen ten laste van de Staat aan appellant voornoemd door overmaking van bovenstaand bedrag op bankrekeningnummer [rekeningnummer] t.n.v. [naam].
Amsterdam, 14 april 2017.
Mr. Leenaers, voorzitter.