Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
eerste twee grievenstrekken ten betoge dat het bijzondere karakter van de Overgangsregeling als bedoeld onder 2.1 met zich brengt dat er – anders dan bij de reguliere pensioenregeling – geen enkel verband kan of mag bestaan tussen de wijze van premieheffing en de onderlinge solidariteit tussen werkgevers en werknemers in de bedrijfstak Beroepsvervoer. De premie bestemd voor de financiering van de Overgangsregeling is nimmer op de solidariteitsgedachte gebaseerd geweest. [X] heeft deze grieven toegelicht door met name te wijzen op de ‘Sectorbrief VPL-regelingen’ van 31 oktober 2012 van de toezichthouder van het Pensioenfonds, de Nederlandsche Bank. Daaruit valt volgens [X] af te leiden dat het uitvoeren van de VPL-regeling niet behoort tot het exclusieve domein van de verplicht gestelde bedrijfstakpensioenfondsen, dat het slechts om een nevenactiviteit gaat, dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen het eigenlijke pensioenvermogen en de VPL-gelden, dat een ‘good practice’ met zich brengt dat de omvang van de beheerde VPL-gelden op de balans tot uitdrukking dient te worden gebracht in een afzonderlijke bestemmingsreserve en dat die bestemmingsreserve VPL niet meetelt bij de bepaling van de financiële positie van een pensioenfonds. [X] heeft er verder nog op gewezen dat ook sprake is van een afzonderlijke premie voor de Overgangsregeling en dat deze premie gescheiden dient te blijven van de premie voor de reguliere pensioenregeling/voorziening. De voor de Overgangsregeling door het fonds ontvangen afzonderlijke premies mogen nu juist niet mede worden gebruikt voor de collectieve affinanciering van alle toe te kennen pensioenaanspraken maar slechts om te zijner tijd de – alsdan – onvoorwaardelijke aanspraken voortvloeiend uit de separate Overgangsregeling ten behoeve van de aangesloten werkgevers te financieren, aldus – nog steeds – [X] .