ECLI:NL:GHAMS:2017:1121

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
4 april 2017
Publicatiedatum
6 april 2017
Zaaknummer
200.204.546/01 GDW
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 37 lid 4 GdwArt. 39 lid 4 GdwArt. 515 lid 5 SvTitel IV Vierde Boek Sv
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep tegen wrakingskamerbeslissing gerechtsdeurwaarders

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de wrakingskamer van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam, waarbij zijn wrakingsverzoek gedeeltelijk niet-ontvankelijk werd verklaard en voor het overige ongegrond werd afgewezen. De wrakingskamer had eerder ook een wrakingsverzoek van verzoeker tegen de raadsheren van het hof niet-ontvankelijk verklaard.

Het hof overweegt dat op grond van artikel 515 lid 5 Sv Pro tegen de beslissing van de wrakingskamer geen rechtsmiddel openstaat. Het beroep van verzoeker op doorbreking van dit rechtsmiddelenverbod wordt verworpen, ook omdat de vaste rechtspraak die doorbreking in andere situaties toestaat niet van toepassing is op wrakingsverzoeken in strafrechtelijke en tuchtprocedures.

Daarom verklaart het hof verzoeker niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep. De beslissing is genomen door drie raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2017.

Uitkomst: Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de wrakingskamerbeslissing.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.204.546/01 GDW
nummer eerste aanleg : C/13/614857 / DW RK 16/984
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 4 april 2017
inzake het op 1 december 2016 ingediende beroepschrift van
[verzoeker] ,
wonend te [plaats] ,
verzoeker.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Verzoeker heeft op 1 december 2016 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de wrakingskamer van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de wrakingskamer) van 12 oktober 2016 (ECLI:NL:TGDKG:2016:161). De wrakingskamer heeft in de bestreden beslissing, voor zover van belang, het (wrakings)verzoek gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek voor het overige als ongegrond afgewezen.
1.2.
Verzoeker heeft op 19 januari 2017 een wrakingsverzoek ingediend tegen alle raadsheren van het hof die het onderhavige hoger beroep zouden behandelen. Bij beslissing van 7 februari 2017 heeft de wrakingskamer van het hof verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek.
1.3.
De zaak is vervolgens behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 16 februari 2017. Verzoeker is verschenen en heeft het woord gevoerd aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2.Beoordeling

2.1.
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 37 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) de leden van de kamer voor gerechtsdeurwaarders kunnen worden gewraakt indien er te hunnen aanzien feiten of omstandigheden bestaan waardoor in het algemeen de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Titel IV van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is van overeenkomstige toepassing verklaard.
Artikel 515 lid 5 Sv Pro bepaalt dat tegen de beslissing van de wrakingskamer geen rechtsmiddel open staat.
2.2.
De wrakingskamer van de kamer voor gerechtsdeurwaarders heeft op 12 oktober 2016 een beslissing genomen. Zoals hiervoor onder 2.1 is overwogen, staat tegen die beslissing geen hoger beroep open. Het beroep dat verzoeker doet op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod kan niet slagen. Weliswaar heeft het hof in vaste rechtspraak doorbreking mogelijk geacht van het in artikel 39 lid 4 Gdw Pro opgenomen rechtsmiddelenverbod, maar die rechtspraak is in het geval van een wraking niet van overeenkomstige toepassing.
Ook voor zover verzoeker met zijn beroep op doorbreking van het rechtsmiddelenverbod beoogt aan te sluiten bij vaste rechtspraak in civielrechtelijke wrakingsprocedures, kan hij daarin niet worden gevolgd. Een dergelijk beroep wordt bij wrakingsverzoeken in strafrechtelijke procedures, en dus ook in deze tuchtprocedure, niet aanvaard.
2.3.
Het voorgaande voert tot de slotsom dat verzoeker niet-ontvankelijk is in het hoger beroep.

3.Beslissing

Het hof verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2017 door de rolraadsheer.