Uitspraak
mr. E.F. Seunkete Haarlem,
mr. I.E. van der Bijlte Haarlem.
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
Ten onrechte heeft de Voorzieningenrechter sub 5.12 in het vonnis a quo overwogen dat appellante geen spoedeisend belang heeft bij een dwangsom op de nakoming van hetgeen sub 5.1 in het vonnis in de bodemprocedure d.d. 26 oktober 2016 al aan haar is toegewezen.
“Waarde van het restant van de effectenportefeuille, zoals aangegeven in bijlage 1 als voorbeeld. De verdeling hiervan in principe een evenredig deel percentage aandelen als obligaties.”Verder beroept de vrouw zich op een stuk waarboven staat ‘Voorstel boedelverdeling [de man] en [de vrouw] ’ en waarvan het hof begrijpt dat dit is opgemaakt door [financieel adviseur] naar aanleiding van een bespreking met [medewerkster] werkzaam bij de ABN-AMRO bank op 25 november 2014. In dit ‘voorstel’ is onder meer opgenomen:
“Uitgangspunt van de verdeling is dus 12 juli 2014, zodat nog wel zal moeten worden verrekend betalingen en ontvangsten die betrekking hebben op de onverdeelde boedel zoals huis Spanje en schuld kinderen en kantoorpand te [plaats] en wat betreft de verdeling van de boedel de betaalde hypotheekrente en opbrengst van de effecten portefeuille.”