ECLI:NL:GHAMS:2016:959

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
18 februari 2016
Publicatiedatum
17 maart 2016
Zaaknummer
200.177.666/01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253f BWArt. 1:253h lid 3 BWArt. 362 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep afgewezen inzake gezamenlijk ouderlijk gezag na overlijden moeder

De zaak betreft een hoger beroep van de man tegen een beschikking van de rechtbank Noord-Holland waarin de vrouw vanaf 1 juli 2015 alleen met het gezag over hun twee kinderen werd belast. De vrouw is inmiddels overleden, waarna de grootmoeder als voogd het gezag uitoefent en de kinderen bij haar verblijven.

De man verzocht het hof de beschikking te vernietigen en het gezamenlijk gezag te continueren. Het hof oordeelde dat door het overlijden van de vrouw het beoogde rechtsgevolg niet meer realiseerbaar is, waardoor het hoger beroep faalt. Ook een procedure op grond van artikel 1:253h lid 3 BW kan niet in deze procedure worden behandeld.

Het hof wees het hoger beroep af en handhaafde de beschikking dat de vrouw alleen met het gezag was belast tot haar overlijden, waarna het gezag aan de grootmoeder is toegekend. De zaak werd ter zitting behandeld op 18 februari 2016 en het vonnis werd direct uitgesproken.

Uitkomst: Het hoger beroep van de man wordt verworpen omdat continuering van gezamenlijk gezag na overlijden van de vrouw niet mogelijk is.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM
Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Uitspraak: 18 februari 2016
Zaaknummer: 200.177.666/ 01
Zaaknummer eerste aanleg: C/15/221911 / FA RK 15-783
in de zaak in hoger beroep van:
[appellant] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
appellant,
advocaat: mr. F.L. Donders te Tilburg,
tegen
[geïntimeerde] ,
overleden op [overlijdensdatum] ,
gewoond hebbende te [woonplaats 2] ,
geïntimeerde,
advocaat: mr. T.J.E. op de Weegh te Alkmaar.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Appellant en geïntimeerde worden hierna respectievelijk de man en de vrouw genoemd.
1.2.
De man is op 30 september 2015 in hoger beroep gekomen van de beschikking van
1 juli 2015 van de rechtbank Noord-Holland, met kenmerk C/15/221911 / FA RK 15-783.
1.3.
De vrouw heeft op 10 november 2015 een verweerschrift ingediend.
1.4.
De advocaat van de vrouw heeft het hof bij brief van 7 januari 2016 bericht dat de vrouw is overleden.
1.5.
De advocaat van de vrouw heeft op 25 januari 2016 een nader stuk ingediend.
1.6.
Bij faxbericht van 16 februari 2016 heeft de man het hof bericht dat hij zijn hoger beroep handhaaft.
1.7.
De zaak is op 18 februari 2016 ter terechtzitting behandeld.
1.8.
Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de advocaat van de vrouw;
- mevrouw [A] ;
- mevrouw [B] , vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming, regio Noord-Holland, locatie Haarlem (hierna: de Raad).
1.9.
Na de behandeling van de zaak heeft het hof bepaald dat terstond uitspraak zal worden gedaan.

2.De feiten

2.1.
Uit de relatie van partijen zijn geboren [kind 1] (hierna: [kind 1] ) [in] 2006 en [kind 2] (hierna: [kind 2] ) [in]
2008 . De man heeft [kind 1] en [kind 2] erkend.
2.2.
De vrouw is op [overlijdensdatum] overleden. Tot haar overlijden verbleven [kind 1] en [kind 2] bij de vrouw.
2.3.
Blijkens de overgelegde uittreksels uit het gezagsregister had de vrouw bij testament bepaald dat haar moeder, [A] (hierna: grootmoeder), als voogd het gezag over [kind 1] en [kind 2] zou uitoefenen. De grootmoeder heeft zich inmiddels bereid verklaard het gezag uit te oefenen. Uit genoemde uittreksels leidt het hof af dat zij sinds 31 december 2015 als voogd optreedt.
2.4.
Sinds het overlijden van de vrouw verblijven [kind 1] en [kind 2] bij grootmoeder.

3.Het geschil in hoger beroep

3.1.
Bij de bestreden beschikking is op het daartoe strekkende verzoek van de vrouw bepaald dat de vrouw vanaf 1 juli 2015 alleen is belast met het gezag over [kind 1] en [kind 2] .
3.2.
De man verzoekt, met vernietiging van de bestreden beschikking, het verzoek van de vrouw tot de uitoefening van het eenhoofdig ouderlijk gezag af te wijzen.
3.3.
Bij verweerschrift in hoger beroep is verzocht de verzoeken van de man als ongegrond en onbewezen af te wijzen.

4.Beoordeling van het hoger beroep

4.1.
De man meent dat het hof de bestreden beschikking, ondanks het overlijden van de vrouw, nog steeds kan vernietigen. Dat zou volgens hem tot gevolg hebben dat hij ten tijde van het overlijden van de vrouw nog wel met het ouderlijk gezag over de kinderen was belast, zodat thans aan hem – naar het hof de stellingen van de man begrijpt: op de voet van art 1: 253f BW – van rechtswege alleen het ouderlijk gezag toekomt. Het hof volgt hem daarin niet. Reeds door het overlijden van de vrouw is het door de man met het hoger beroep beoogde rechtsgevolg, namelijk continuering van het gezamenlijk gezag, niet meer realiseerbaar. Daarop stuit het hoger beroep af. Bespreking van de door de man tegen de bestreden beschikking opgeworpen grief kan achterwege blijven.
4.2.
De man heeft nog aangevoerd dat een procedure gebaseerd op art 1:253h, derde lid BW – waarvan hij terecht opmerkt dat een dergelijk verzoek op grond van artikel 362 Rv Pro niet voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan – bij de rechtbank tot hetzelfde resultaat zou leiden als vernietiging van de bestreden beschikking in de onderhavige procedure, zodat om proceseconomische redenen aanleiding bestaat het appel toch inhoudelijk te behandelen, maar ook die stelling stuit af op hetgeen onder 4.1 is overwogen, nog daargelaten dat behandeling in strijd zou zijn met de processuele belangen van grootmoeder en dat in de onderhavige procedure niet vooruitgelopen kan worden op de uitkomst van een (eventuele) procedure op de voet van art 1:253h, derde lid BW.
4.3.
Het voorgaande leidt ertoe dat het hoger beroep wordt verworpen.

5.Beslissing

Het hof:
verwerpt het hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.N. van de Beek, mr. A.R. Sturhoofd en
mr. P.J.W.M. Sliepenbeek in tegenwoordigheid van mr. S. Brouwer als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2016.