Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter inzake winkeldiefstal gepleegd op 20 maart 2016 in een filiaal van het winkelbedrijf [bedrijf] te Amsterdam. De verdachte werd ervan beschuldigd samen met een medeverdachte diverse goederen, waaronder schroevendraaiers, wandcontactdozen en deurklinken, te hebben weggenomen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening.
De verdediging voerde aan dat de verdachte niet als medepleger kon worden aangemerkt, dat de geprepareerde tas niet was gebruikt en dat de aangetroffen goederen niet noodzakelijkerwijs uit de winkel afkomstig waren. Het hof verwierp deze verweren op grond van camerabeelden, voorraadvergelijkingen en verklaringen van het winkelpersoneel, die overtuigend aantoonden dat de goederen kort na het bezoek van de verdachte en haar medeverdachte ontvreemd waren.
Het hof stelde vast dat de verdachte en haar medeverdachte samen een vooropgezet plan hadden om de diefstal te plegen. De verdachte werd wettig en overtuigend bewezen dat zij samen met een ander de genoemde goederen had weggenomen. Gelet op de ernst van het feit, eerdere veroordelingen en de omstandigheden legde het hof een gevangenisstraf van drie weken op, met aftrek van het voorarrest.