ECLI:NL:GHAMS:2016:3923
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen schade door onrechtmatig handelen of tekortkoming derdenbeding door ABN AMRO
In deze civiele zaak vordert appellant schadevergoeding van ABN AMRO wegens vermeend onrechtmatig handelen of tekortkoming in de nakoming van een derdenbeding. De zaak betreft een vordering van ABN AMRO op de dochter van appellant, die uiteindelijk voor een lager bedrag werd overgedragen aan appellant.
De feiten zijn dat ABN AMRO een vordering had op de dochter van appellant, welke na onderhandelingen werd overgedragen aan appellant tegen een koopprijs van € 3.500,-. Er ontstond een geschil over de uitvoering van deze overdracht, wat leidde tot een vonnis dat ABN AMRO verplichtte de vordering over te dragen. ABN AMRO voerde dit niet tijdig uit en betaalde dwangsommen.
Appellant stelde dat ABN AMRO onrechtmatig had gehandeld en daardoor schade had geleden, bestaande uit het verschil tussen de waarde van de vordering en de koopprijs. De kantonrechter wees de vordering af omdat appellant geen schade aannemelijk had gemaakt. Het hof bevestigt dit oordeel, mede omdat ABN AMRO na het instellen van hoger beroep alsnog de vordering aan appellant overdroeg, waardoor appellant geen schade meer lijdt.
Het hof oordeelt dat de vordering niet toewijsbaar is en bekrachtigt het vonnis. De kosten van het hoger beroep worden ieder voor eigen rekening gelaten. Hiermee is het geschil definitief beslecht.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering van appellant af wegens het ontbreken van schade.