Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
3.Het geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het hoger beroep
1 december 2014weer geacht moet worden de oude, (geïndexeerde) bijdrage zoals vastgesteld in de beschikking van de rechtbank Breda van 2 februari 2009 te kunnen betalen.
draagkrachtvan € 335,- per maand. De man heeft slechts aangegeven dat hij geen enkele bijdrage kan betalen, en heeft daarbij mede gewezen op het feit dat hij ook voor [de minderjarige] zorgt en in dat verband reiskosten heeft. Nu de werkelijke zorgkorting, bij gebrek aan inzicht in de behoefte van [de minderjarige] , niet kan worden bepaald, zal het hof aansluiten bij het door de vrouw voorgestelde bedrag van € 50,25 per maand. Rekening houdende met dat bedrag, bedraagt het aandeel van de man niet minder dan de bij beschikking van 2 februari 2009 vastgestelde bijdrage. Daarbij wordt opgemerkt dat, anders dan de man betoogt, het hof niet toekomt aan een draagkrachtvergelijking tussen de man en de vrouw. Voor een verdeling van de behoefte van [de minderjarige] naar ieders draagkracht is immers eveneens inzicht in haar behoefte noodzakelijk. Zoals hiervoor overwogen, is die behoefte niet inzichtelijk geworden. Nu de man om een draagkrachtvergelijking verzoekt, had het op zijn weg gelegen gegevens omtrent de behoefte te verschaffen. De stellingen van de man die zien op het inkomen van de vrouw hoeven daarmee evenmin bespreking.