ECLI:NL:GHAMS:2016:3715
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- G.J. Driessen-Poortvliet
- A.R. Sturhoofd
- H.A. van den Berg
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering jegens deelgenoot en diens dochters inzake nalatenschap
Deze zaak betreft een hoger beroep van [Y] tegen een vonnis van de rechtbank Amsterdam inzake vorderingen over de nalatenschap van wijlen de heer [Z]. [Y] vordert onder meer vernietiging van koop- en leveringsovereenkomsten en inzage in documenten ten behoeve van de gemeenschap van de nalatenschap.
Het hof stelt vast dat [Y] als deelgenoot niet bevoegd is om namens de gemeenschap rechtsvorderingen tegen mede-deelgenoten of hun dochters in te stellen zonder gezamenlijke instemming, zoals bepaald in artikel 3:170 en Pro 3:171 BW. De dochters van [X] zijn bovendien geen erfgenamen en kunnen niet als deelgenoten worden beschouwd.
Daarnaast oordeelt het hof dat de vorderingen tot vernietiging wegens dwaling, bedrog en misbruik van omstandigheden jegens de dochters verjaard zijn, aangezien [Y] al in augustus 2010 kennis had van de benadeling. Ook de vordering op grond van onrechtmatige daad is onvoldoende onderbouwd.
Het hof vernietigt het bestreden vonnis voor zover het de vorderingen afwees, verklaart [Y] niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens [X] en diens dochters, en veroordeelt haar in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof verklaart [Y] niet-ontvankelijk in haar vorderingen jegens [X] en diens dochters en veroordeelt haar in de proceskosten.