Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de vrouwis het volgende gebleken.
de manis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1999 gehuwd in gemeenschap van goederen en hebben twee kinderen. Het huwelijk is ontbonden per 11 februari 2015. De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen delen van de beschikking van de rechtbank Noord-Holland, met name over de alimentatie-uitkering aan de man, de duur daarvan en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.
De vrouw betwist de hoogte van de alimentatie-uitkering en stelt dat de man een hogere verdiencapaciteit heeft dan erkend. Het hof stelt de behoefte van de man vast op € 1.644,- netto per maand na correcties op zijn behoeftelijstje en bevestigt een verdiencapaciteit van € 10.000,- bruto per jaar, wat leidt tot een aanvullende behoefte die de toegekende alimentatie niet overschrijdt. De vrouw heeft voldoende draagkracht om de alimentatie te voldoen.
Verzoeken van de vrouw om de duur van de alimentatie te beperken tot twee jaar worden afgewezen, evenals haar verzoeken tot vergoeding wegens vermeende benadeling van de gemeenschap door overboekingen van de man. Het hof oordeelt dat de man geen goederen van de gemeenschap heeft verspild. De bankrekening op naam van de man wordt zonder verrekening aan hem toegewezen. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de alimentatie en de verdeling van de gemeenschap.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking en wijst de verzoeken van de vrouw tot beperking van alimentatie en vergoeding wegens benadeling af.