Uitspraak
13/229056-14 tegen
Onderzoek van de zaak
20 juli 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Gerechtshof Amsterdam
In deze strafzaak is verdachte in hoger beroep vrijgesproken van mishandeling van de benadeelde partij op of omstreeks 17 oktober 2014 te Amsterdam. Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter omdat het tot een andere bewijsoordeel kwam.
Het hof baseerde zijn oordeel mede op camerabeelden die tijdens de terechtzitting in hoger beroep werden afgespeeld. Hieruit bleek dat verdachte niet degene was die de benadeelde partij heeft geslagen of gestompt. Hierdoor kon verdachte niet schuldig worden verklaard aan het ten laste gelegde feit.
De benadeelde partij had een schadevergoeding van €460,00 gevorderd, waarvan in eerste aanleg €100,00 was toegewezen. In hoger beroep heeft de benadeelde partij zich niet opnieuw gevoegd. Het hof verklaarde de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding omdat verdachte niet schuldig was bevonden.
Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam en uitgesproken op 20 juli 2016. De advocaten-generaal hadden gevorderd dat verdachte zou worden vrijgesproken, hetgeen het hof volgde.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van mishandeling wegens onvoldoende bewijs.