Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, gehuwd in Italië en gescheiden in België, zijn in hoger beroep betrokken bij een geschil over kinder- en partneralimentatie. De man betwistte de hoogte van zijn draagkracht en stelde dat hij voldoende financiële gegevens had verstrekt. De vrouw betwistte dit en vermoedde dat de man inkomsten verlaagde door geldstromen naar een onderneming van zijn partner.
Het hof oordeelde dat de man onvoldoende inzicht had gegeven in zijn financiële situatie, vooral met betrekking tot de inkomsten uit zijn Italiaanse onderneming en de betalingen aan de Russische onderneming van zijn partner. Hierdoor werd zijn netto besteedbaar inkomen vastgesteld op €4.500 per maand, conform eerdere vaststellingen.
De kinderbijdrage werd verhoogd naar €310 per kind per maand met ingang van 19 februari 2016, de datum van het incidenteel hoger beroep van de vrouw. De partneralimentatie werd vastgesteld op €750 per maand met ingang van 25 april 2014. De vrouw kon het verzoek om een eerdere ingangsdatum van 1 september 2011 niet toegewezen krijgen, omdat zij destijds niet direct een verzoek bij de Nederlandse rechter had ingediend.
Het hof wees het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen in de proceskosten af en bekrachtigde de overige onderdelen van de bestreden beschikking.
Uitkomst: De kinderbijdrage wordt vastgesteld op €310 per kind per maand vanaf 19 februari 2016 en de partneralimentatie op €750 per maand vanaf 25 april 2014.