Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
De vrouw en de man, gezamenlijk gezaghebbenden over hun minderjarige kind met dubbele nationaliteit, zijn in geschil geraakt over het aanvragen van reisdocumenten en een vakantie naar Brazilië.
De vrouw verzocht om vervangende toestemming om met het kind naar Brazilië te reizen en reisdocumenten aan te vragen, stellende dat het in het belang van het kind is om haar Braziliaanse familie te leren kennen. De man vreesde dat de vrouw na de reis niet zou terugkeren naar Nederland, onderbouwd met aanwijzingen zoals een vermeende relatie van de vrouw in Brazilië en haar houding ten aanzien van het gezag.
Het hof oordeelde dat de vrees van de man niet onredelijk is en dat de vrouw onvoldoende heeft gedaan om deze vrees weg te nemen. De ondertoezichtstelling van het kind verloopt goed, maar het risico van een definitieve verhuizing naar Brazilië zou het co-ouderschap ernstig schaden. Daarom werd het verzoek van de vrouw afgewezen en de eerdere beschikking bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vrouw af en bekrachtigt de eerdere beschikking, waardoor geen vervangende toestemming wordt verleend voor reisdocumenten en vakantie met de minderjarige naar Brazilië.