ECLI:NL:GHAMS:2016:2237

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
10 juni 2016
Publicatiedatum
13 juni 2016
Zaaknummer
23/002895-14
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e Wetboek van StrafrechtArt. 422 Wetboek van Strafvordering
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vrijspraak en niet-ontvankelijkheid in ontnemingsvordering

In deze zaak heeft het openbaar ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ingesteld tegen de veroordeelde, met een geschat bedrag van 29.250 euro. De rechtbank Noord-Holland sprak de veroordeelde vrij van het ten laste gelegde en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering.

Het openbaar ministerie ging hiertegen in hoger beroep. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 10 juni 2016 de vrijspraak van de veroordeelde bevestigd. Het hof heeft tevens besloten zich te verenigen met het vonnis waarvan beroep, waardoor de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering eveneens wordt bevestigd.

Deze beslissing is genomen na onderzoek van de zaak op de terechtzitting in hoger beroep en kennisneming van de standpunten van de advocaat-generaal en de raadsvrouw van de veroordeelde. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.

Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt de vrijspraak en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering.

Uitspraak

parketnummer: 23-002895-14
datum uitspraak: 10 juni 2016
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 juli 2014 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 14-810299-12 tegen de veroordeelde
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Libanon) op [geboortedag] 1963,
adres: [adres].

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op een bedrag van EUR 29.250.
De veroordeelde is bij vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 7 juli 2014 vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Voorts heeft de rechtbank Noord-Holland bij vonnis van 7 juli 2014 het openbaar ministerie niet‑ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 10 juni 2016 de veroordeelde vrijgesproken van het ten laste gelegde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 27 mei 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de veroordeelde en de raadsvrouw naar voren is gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich, gelet op voornoemde vrijspraak in hoger beroep in de strafzaak, met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen.

BESLISSING

Het hof bevestigt het vonnis waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. A.P.M. van Rijn, mr. P.C. Römer en mr. J.W. Moors, in tegenwoordigheid van mr. K.D.M. de Lange, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 juni 2016.