ECLI:NL:GHAMS:2016:2022

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 mei 2016
Publicatiedatum
27 mei 2016
Zaaknummer
23-005134-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9a Sr
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep in zedenzaak met afzien van strafoplegging wegens tijdsverloop en persoonlijke gevolgen

Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam in een zedenzaak waarbij de verdachte ontuchtige handelingen pleegde met een minderjarige onder de zestien jaar.

De advocaat-generaal had een gevangenisstraf en werkstraf gevorderd, maar het hof besloot het vonnis van de rechtbank te bevestigen en voegde toe dat op grond van artikel 9a Sr geen straf of maatregel moet worden opgelegd. Het hof nam het aanzienlijke tijdsverloop sinds de feiten in september en oktober 2012 mee, dat niet aan de verdachte te wijten was.

Daarnaast speelde mee dat de verdachte reeds gevolgen had ondervonden, zoals aanhouding buiten heterdaad, voorlopige hechtenis, belemmeringen in zijn loopbaan en persoonlijke relaties. Het hof oordeelde dat de normoverschrijdendheid van het gedrag voor de verdachte indringend duidelijk was geworden en dat oplegging van straf of maatregel niet noodzakelijk was voor speciale preventie.

Hoewel bewezen is dat de verdachte ontuchtige handelingen pleegde met een minderjarige, werd vastgesteld dat er geen sprake was van pedofilie. Het hof zag daarom geen noodzaak tot oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf en besloot af te zien van strafoplegging.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis maar ziet af van strafoplegging wegens tijdsverloop en persoonlijke gevolgen voor verdachte.

Uitspraak

parketnummer: 23-005134-15
datum uitspraak: 26 mei 2016
tegenspraak
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 10 december 2015 in de strafzaak onder parketnummer 13-659049-13 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1990,
adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
12 mei 2016 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee dagen met aftrek van voorarrest, voorts tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren, en ten slotte tot een werkstraf voor de duur van honderdzestig uren, subsidiair tachtig dagen hechtenis.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof de overweging van de rechtbank met betrekking tot het niet opleggen van een straf of maatregel aanvult met het volgende.
Het hof is van oordeel dat op de voet van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel dient te worden opgelegd.
Het feit waaraan de verdachte zich schuldig heeft gemaakt, heeft plaatsgevonden in de periode september en oktober 2012. Er is dus sprake van een aanzienlijk tijdsverloop sinds het begaan van de feiten, welk tijdsverloop geenszins is te wijten aan de verdachte.
Voorts moet worden vastgesteld dat de handelingen van de verdachte niet zonder gevolgen zijn gebleven. De verdachte is buiten heterdaad aangehouden, heeft enkele dagen vastgezeten en ook anderszins zijn de gevolgen voor de verdachte groot geweest. Zo heeft de verdachte – die als adolescent destijds studeerde – na zijn afstuderen geen werk kunnen zoeken op het terrein waar hij voor gestudeerd had, in afwachting van de uitkomst van deze zaak na het door het openbaar ministerie ingestelde hoger beroep. Ook heeft deze zaak grote gevolgen gehad voor de relatie met zijn ouders. De verdachte ondervindt nog steeds de gevolgen in zijn persoonlijk leven. Het is het hof ter terechtzitting gebleken dat door de gevolgen van zijn handelen, voor de verdachte indringend de normoverschrijdendheid van zijn gedrag duidelijk is geworden. Ook uit een oogpunt van speciale preventie is derhalve oplegging van een straf of maatregel niet geboden. Daarbij merkt het hof nog op, dat weliswaar bewezen verklaard is dat de verdachte ontuchtige handelingen heeft gepleegd met iemand die nog niet de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, maar dat niet gesproken kan worden van pedofolie. Anders dan de advocaat-generaal heeft gevorderd ziet het hof dan ook geen noodzaak tot het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf.
Onder deze omstandigheden dient oplegging van een straf of maatregel geen rechtens te rechtvaardigen doel en dient daarvan te worden afgezien.

Beslissing

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. P.A.M. Hoek, mr. M. Lolkema en mr. M.J.A. Plaisier , en, in tegenwoordigheid van
mr. F. Hardonk-Kruiswijk, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 mei 2016.
De voorzitter is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.
[........]
.