De Officier van Justitie heeft een klacht ingediend tegen een notaris vanwege onvoldoende onderzoek naar de rechtmatigheid van een vastgoedtransactie en de herkomst van gelden bij de levering van een woning op 21 september 2010. De kamer voor het notariaat verklaarde de klacht niet-ontvankelijk. Het hof oordeelt echter dat de Officier van Justitie wel ontvankelijk is en vernietigt de bestreden beslissing.
Het hof bevestigt dat het Openbaar Ministerie belang heeft bij handhaving van beroepsnormen voor notarissen ter voorkoming van vastgoedfraude en witwassen, mits er geen samenloop is met strafrechtelijke vervolging over dezelfde gedraging. De klacht is binnen de wettelijke vervaltermijn ingediend, die aanvangt op het moment dat het Openbaar Ministerie kennis krijgt van het onderzoek dat de notaris heeft verricht.
Het hof houdt de verdere beslissing aan en geeft partijen de gelegenheid schriftelijk nader in te gaan op het onderzoek dat de notaris had moeten verrichten en of hij zijn dienst had moeten weigeren. Afhankelijk van het verzoek van partijen zal een mondelinge behandeling worden gepland. Het vonnis is uitgesproken op 17 mei 2016.