ECLI:NL:GHAMS:2016:1453
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs dat verdachte fenacetine als versnijdingsmiddel gebruikte
De verdachte werd in hoger beroep vervolgd voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen met betrekking tot het opzettelijk bereiden en vervoeren van fenacetine, vermoedelijk bestemd als versnijdingsmiddel voor cocaïne en heroïne.
Tijdens het onderzoek bleek dat verdachte en zijn medeverdachten in mei 2007 circa 1500 kilo fenacetine in Spanje hadden gekocht en naar Nederland hadden vervoerd. Verdachte trad op als vertaler tijdens de onderhandelingen en regelde het transport. Hij verklaarde dat hem was verteld dat fenacetine als schoonmaakmiddel werd gebruikt.
Het hof oordeelde dat ten tijde van de feiten niet algemeen bekend was dat fenacetine als versnijdingsmiddel werd gebruikt en dat het ook een reële andere toepassing had als geneesmiddel in niet-Westerse landen. Fenacetine stond niet op lijst I van de Opiumwet en was in Spanje niet verboden.
Daarom kon niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat verdachte wist of ernstige redenen had om te vermoeden dat de fenacetine zou worden gebruikt voor de vervaardiging van harddrugs. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en sprak verdachte vrij wegens gebrek aan bewijs.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken omdat niet bewezen is dat hij wist of moest vermoeden dat fenacetine als versnijdingsmiddel werd gebruikt.