Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
niet verschenen,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak vordert [appellante] betaling van [geïntimeerde] voor belastingschulden die zij als bestuurder van een vennootschap aan de Belastingdienst heeft voldaan. [appellante] was formeel bestuurder van [bedrijf 4], maar stelde dat zij slechts op papier bestuurder was vanwege een NVM-eis, terwijl [geïntimeerde] als bestuurder van een andere vennootschap feitelijk het beleid bepaalde.
De Belastingdienst stelde [appellante] aansprakelijk voor belastingschulden van [bedrijf 4] wegens het niet tijdig melden van betalingsonmacht. In eerste aanleg werd de vordering afgewezen, maar in hoger beroep stelde het hof vast dat [geïntimeerde] feitelijk leiding gaf en verantwoordelijk was voor de vennootschap en dat de aansprakelijkheid op grond van artikel 36 Invorderingswet Pro 1990 en artikel 2:11 BW Pro ook op hem rust.
Het hof oordeelde dat [bedrijf 2] als medebestuurder hoofdelijk aansprakelijk is, en omdat deze geen verhaal biedt, is [geïntimeerde] als bestuurder van [bedrijf 2] aansprakelijk voor de betaling aan [appellante]. Het vonnis van de kantonrechter werd vernietigd en de vordering van [appellante] toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van het door haar betaalde bedrag aan de Belastingdienst, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.
Uitkomst: Bestuurder [geïntimeerde] wordt veroordeeld tot betaling van de door [appellante] betaalde belastingschuld, vermeerderd met wettelijke rente en kosten.