ECLI:NL:GHAMS:2016:1279
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- A.V.T. de Bie
- A.N. van de Beek
- M. Meerman-Padt
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over voogdij minderjarige bij twijfel over afstamming en verblijfstitel
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht het gerechtshof om de gecertificeerde instelling (GI) te benoemen tot voogd over een minderjarige, omdat de man en vrouw niet konden aantonen dat de minderjarige uit de vrouw is geboren. De Raad vermoedde een illegale opname van het kind en wilde duidelijkheid over de herkomst en verblijfstatus van de minderjarige.
De vrouw en man betwistten dit en stelden dat de vrouw door middel van kunstmatige voortplanting zwanger is geworden van de minderjarige met genetisch materiaal van onbekende donoren. Zij verzorgden het kind sinds zijn geboorte en wilden de voogdij behouden. Het hof stelde dat ondanks ingediende stukken, er gerede twijfel bleef over de geboorte van de minderjarige uit de vrouw.
Het hof overwoog dat het belang van het kind voorop staat en dat het recht van het kind om zijn afkomst te kennen belangrijk is. Echter, het hof vond het niet noodzakelijk om de voogdij aan de GI toe te wijzen, omdat het verblijf en de verzorging door de vrouw en man goed waren en het doel van duidelijkheid over afkomst ook op andere wijze bereikt kan worden. Ook het verkrijgen van een verblijfsdocument kon door de ouders worden geregeld.
Daarom werd de beschikking van de rechtbank bekrachtigd, waarmee de vrouw en man als voogd blijven aangemerkt. De voogdij bij de GI werd afgewezen, ondanks de vermoedens van illegale opname en het belang van statusvoorlichting voor de minderjarige.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de beschikking en wijst het verzoek van de Raad af om de GI als voogd aan te wijzen; de voogdij blijft bij de vrouw en man.