ECLI:NL:GHAMS:2016:1110

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
24 maart 2016
Publicatiedatum
29 maart 2016
Zaaknummer
23-003522-15
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 70 SrArt. 71 SrArt. 72 SrArt. 159 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM wegens verjaring culpose brandstichting met explosie

In deze zaak stond de verdachte terecht voor het op of omstreeks 8 juli 2005 losmaken van een gasfles gekoppeld aan een geiser, waardoor een explosie en brand ontstond met gevaar voor personen en goederen.

De politierechter veroordeelde de verdachte bij verstek op 15 december 2006. De mededeling van dit vonnis werd pas op 25 augustus 2015 aan de verdachte betekend. Het hof onderzocht of het recht tot strafvervolging door verjaring was vervallen.

Het Openbaar Ministerie stelde dat de verjaring was gestuit door opname van de verdachte in het opsporingsregister en periodieke verlenging van de signalering. Het hof oordeelde echter dat deze handelingen geen daad van vervolging vormen en dat er geen nieuwe stuiting van de verjaring heeft plaatsgevonden.

Daarmee was de verjaringstermijn van zes jaar overschreden en verviel het recht tot strafvervolging. Het hof verklaarde het OM niet-ontvankelijk en vernietigde het vonnis van de politierechter.

Uitkomst: Het hof verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wegens verjaring van het recht tot strafvervolging.

Uitspraak

parketnummer: 23-003522-15
datum uitspraak: 10 maart 2016
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam van 15 december 2006 in de strafzaak onder parketnummer 13‑431350-06 tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Groot-Brittannië) op [geboortedag] 1983,
adres: Thans zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van 10 maart 2016.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 08 juli 2005 te Amsterdam, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam een gasfles, die (op een onbekend gebleven manier) was gekoppeld aan een geiser in de badkamer, heeft losgemaakt, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat die gasfles is geëxplodeerd en/of een (korte) brand is ontstaan, terwijl daardoor gemeen gevaar voor een of meerdere woning(en) gelegen aan en/of in de buurt van perceel [adres] en/of een of meerdere auto(s) die in de buurt van perceel [adres] (geparkeerd) stonden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meerdere perso(o)n(en) die aanwezig was/waren in en/of in de buurt van perceel [adres] en/of [slachtoffer], in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, ontstond.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de rechtbank.
Ontvankelijkheid openbaar ministerie in vervolging
De verdachte wordt vervolgd terzake van een feit als bedoeld in artikel 159 Wetboek Pro van Strafrecht (Sr), dat is bedreigd met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vierde categorie. Ingevolge artikel 70 Sr Pro vervalt het recht tot strafvordering door verjaring terzake van dit feit in zes jaren. Ingevolge artikel 71 Sr Pro vangt de termijn van verjaring (behoudens hier niet terzake doende uitzonderingen) aan op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Ingevolge artikel 72 Sr Pro stuit elke daad van vervolging de verjaring en vangt dan een nieuwe verjaringstermijn aan.
Op 15 december 2006 heeft de politierechter de verdachte bij verstek veroordeeld ter zake van het hem ten laste gelegde.
In het dossier bevindt zich een mededeling uitspraak gedateerd op 5 januari 2007. Deze mededeling uitspraak is aan de verdachte betekend op 25 augustus 2015. Tussen deze twee data is een periode van meer dan zes jaren verstreken.
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verjaring van het recht tot strafvervolging tijdig is gestuit. De advocaat-generaal heeft daartoe aangevoerd dat de verdachte tussen 5 januari 2007 en 25 augustus 2015 steeds in het opsporingsregister opgenomen is geweest. De naam van de verdachte is daartoe in de opsporingsregisters geplaatst en periodiek is besloten tot voortzetting van de signalering nadat bij een controle in het VIPS-systeem geen adres in Nederland bekend was geworden. Dit handelen van het openbaar ministerie dient (steeds) als daad van vervolging te worden aangemerkt.
Het hof verwerpt deze stellingname. Het hof merkt het plaatsen van de naam van de verdachte in de opsporingsregisters en het periodieke besluit tot voortzetting daarvan nadat bij een controle in het VIPS-systeem geen adres bekend is geworden niet aan als een daad van vervolging.
Het hof stelt vast dat sedert de uitgifte van de mededeling uitspraak geen daad van vervolging heeft plaatsgevonden tot aan het moment dat de mededeling uitspraak aan de verdachte is uitgereikt op
25 augustus 2015. Nu na de eerste poging tot betekening van het verstekvonnis meer dan zes jaren zijn verstreken alvorens een nieuwe daad van vervolging heeft plaatsgevonden, is het recht op strafvordering door verjaring vervallen en zal de officier van justitie niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn strafvervolging.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Verklaart de officier van justitie ter zake van het ten laste gelegde niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. P.A.M. Hoek en mr. M.J.A. Plaisier, in tegenwoordigheid van C. de Beer, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 10 maart 2016.