Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant sub 1],
[appellant sub 2],
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak stond de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen van Deutsche Bank tegen in Bulgarije wonende appellanten die een garantstelling (securityship) zijn aangegaan onder Nederlands recht.
De appellanten hadden zich garant gesteld voor schulden van een aantal vennootschappen actief in de scheepvaart, gevestigd in Malta, Bulgarije en de Marshall Eilanden. Deutsche Bank had de leningsovereenkomst opgezegd wegens wanbetaling en vorderde betaling van de appellanten. De voorzieningenrechter in Rotterdam verklaarde zich onbevoegd ten aanzien van de vorderingen tegen appellanten en verwees deze naar de rechtbank Amsterdam.
Het hof oordeelde dat de garantstelling onder Nederlands recht valt en dat de betalingsverplichting in Amsterdam moet worden nagekomen, waar Deutsche Bank gevestigd is. Daarom is de Nederlandse rechter internationaal bevoegd. De grieven van appellanten dat de woonplaats van appellanten of de plaats van uitvoering in de VS bepalend zou zijn, faalden. Ook de incidentele vordering tot verwijzing naar het gerechtshof Den Haag werd afgewezen wegens gebrek aan belang en het belang van voortvarende procesvoering.
Het hof bekrachtigde de bestreden vonnissen en veroordeelde appellanten in de proceskosten, met uitvoerbaarheid bij voorraad.
Uitkomst: Het hof bevestigt de internationale rechtsmacht van de Nederlandse rechter en wijst het hoger beroep van appellanten af.