Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen, gehuwd in 1994 en gescheiden in 2012, kwamen overeen dat de man een partnerbijdrage van €1.200 per maand zou betalen. De man verzocht om wijziging van deze bijdrage wegens gewijzigde omstandigheden, waaronder een daling van zijn inkomen en het delen van woonlasten met een nieuwe partner. De vrouw stelde dat partijen bewust van de wettelijke maatstaven waren afgeweken en dat de man onvoldoende draagkrachtverlies had aangetoond.
Het hof oordeelde dat de overeengekomen partnerbijdrage een voorlopige regeling betrof, die gewijzigd kon worden bij gewijzigde omstandigheden conform artikel 1:401 BW Pro. De vrouw kon onvoldoende onderbouwen dat sprake was van grove miskenning van wettelijke maatstaven. De man kon niet aantonen dat hij een substantieel en structureel inkomensverlies had geleden. De behoefte van de vrouw werd vastgesteld op €2.252 netto per maand tot 30 april 2014 en €3.200 daarna.
De rechtbank had de kosten van de procedure in eerste aanleg gecompenseerd en het hof bevestigde deze beslissing. De kosten van het hoger beroep werden eveneens gecompenseerd. Het hof bekrachtigde de beschikking en wees het meer of anders verzochte af.
Uitkomst: De partneralimentatie van €1.200 per maand wordt gehandhaafd; het verzoek tot wijziging wordt afgewezen.