Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de vrouwis het volgende gebleken.
de manis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank Amsterdam die haar verzoek tot verlenging van de partneralimentatie na het verstrijken van de wettelijke termijn van twaalf jaar heeft afgewezen.
Partijen zijn in 1982 gehuwd en in 2001 gescheiden. De man betaalde partneralimentatie tot 16 november 2013, waarna deze verplichting volgens de wet automatisch eindigde. De vrouw stelde dat zij door het wegvallen van deze alimentatie en het kostgeld van haar kind een ingrijpende terugval in inkomen heeft en niet in aanmerking komt voor huurtoeslag, mede door haar handicap en beperkte verdiencapaciteit.
Het hof oordeelde dat de vrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet tot financiële zelfstandigheid kan komen. Zij kan een goedkopere woning betrekken en huurtoeslag aanvragen. Haar stelling dat een passende woning niet beschikbaar is, is niet onderbouwd. Ook heeft zij niet overtuigend aangetoond dat haar vermogen onvoldoende is om in de kosten van levensonderhoud te voorzien totdat zij huurtoeslag ontvangt of een goedkopere woning betrekt.
Gelet op deze omstandigheden is het hof van oordeel dat de beëindiging van de alimentatieplicht niet onredelijk is en bekrachtigt het de bestreden beschikking. De alimentatieverplichting eindigt derhalve per 16 november 2013 zoals wettelijk bepaald.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot verlenging van de partneralimentatie af en bekrachtigt de beschikking van de rechtbank.