ECLI:NL:GHAMS:2015:607
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- M. Wigleven
- H.T. van der Meer
- P.J.W.M. Sliepenbeek
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid Nederlandse rechter bij ondertoezichtstelling minderjarige met verblijf in Turkije
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kinderrechter Amsterdam waarbij haar minderjarige zoon onder toezicht werd gesteld en uit huis geplaatst. De moeder woont sinds 2 februari 2014 met het kind en haar partner in Turkije. De Raad voor de Kinderbescherming had een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van het kind bevolen.
De moeder stelde zich ontvankelijk in haar hoger beroep omdat zij pas op 17 juli of 15 augustus 2014 op de hoogte was van de beschikking, die per gewone post naar het adres van de grootmoeder was gestuurd terwijl zij zelf in Turkije verbleef. Het hof bevestigde dat de moeder ontvankelijk was omdat de wettelijke termijn van drie maanden vanaf de datum van bekendheid werd gerespecteerd.
Vervolgens oordeelde het hof dat de Nederlandse rechter onbevoegd was om kennis te nemen van het verzoek tot ondertoezichtstelling omdat het kind sinds 2 februari 2014 zijn gewone verblijfplaats in Turkije heeft. Dit volgt uit het feit dat het kind daar naar school gaat, ingeschreven staat en het gezin daar woont. Het vertrek naar Turkije was niet goed voorbereid, maar dat doet niet af aan de intentie om daar te verblijven.
Het hof verklaarde daarom de Nederlandse rechter onbevoegd op grond van artikel 1 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961. De beschikking van de kinderrechter werd daarmee vernietigd en het hoger beroep ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: De Nederlandse rechter is onbevoegd omdat het kind sinds 2 februari 2014 zijn gewone verblijfplaats in Turkije heeft.