ECLI:NL:GHAMS:2015:607

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
13 januari 2015
Publicatiedatum
26 februari 2015
Zaaknummer
200.157.662-01
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 805 RvArt. 291 RvArt. 272 RvArt. 806 RvArt. 1 Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bevoegdheid Nederlandse rechter bij ondertoezichtstelling minderjarige met verblijf in Turkije

De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kinderrechter Amsterdam waarbij haar minderjarige zoon onder toezicht werd gesteld en uit huis geplaatst. De moeder woont sinds 2 februari 2014 met het kind en haar partner in Turkije. De Raad voor de Kinderbescherming had een voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van het kind bevolen.

De moeder stelde zich ontvankelijk in haar hoger beroep omdat zij pas op 17 juli of 15 augustus 2014 op de hoogte was van de beschikking, die per gewone post naar het adres van de grootmoeder was gestuurd terwijl zij zelf in Turkije verbleef. Het hof bevestigde dat de moeder ontvankelijk was omdat de wettelijke termijn van drie maanden vanaf de datum van bekendheid werd gerespecteerd.

Vervolgens oordeelde het hof dat de Nederlandse rechter onbevoegd was om kennis te nemen van het verzoek tot ondertoezichtstelling omdat het kind sinds 2 februari 2014 zijn gewone verblijfplaats in Turkije heeft. Dit volgt uit het feit dat het kind daar naar school gaat, ingeschreven staat en het gezin daar woont. Het vertrek naar Turkije was niet goed voorbereid, maar dat doet niet af aan de intentie om daar te verblijven.

Het hof verklaarde daarom de Nederlandse rechter onbevoegd op grond van artikel 1 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961. De beschikking van de kinderrechter werd daarmee vernietigd en het hoger beroep ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: De Nederlandse rechter is onbevoegd omdat het kind sinds 2 februari 2014 zijn gewone verblijfplaats in Turkije heeft.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

Afdeling civiel recht en belastingrecht
Team III (familie- en jeugdrecht)
Uitspraak: 13 januari 2015
Zaaknummer: 200.157.662/01
Zaaknummer eerste aanleg: 14-172/558903 en 14-173/558905
in de zaak in hoger beroep van:
[…],
verblijvende te […],
appellante,
advocaat: mr. M. Nurdoğan-Ferwerda te Amsterdam,
tegen
Raad voor de Kinderbescherming, regio Amsterdam, locatie Amsterdam,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Partijen worden hierna respectievelijk de moeder en de Raad genoemd.
1.2.
De moeder is op 13 oktober 2014 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 18 februari 2014 van de kinderrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kinderrechter), met kenmerk 14-172/558903 en 14-173/558905.
1.3.
De moeder heeft op 7 november 2014, 20 november 2014 en 26 november 2014 nadere stukken ingediend.
1.4.
De zaak is op 1 december 2014 ter terechtzitting behandeld.
1.5.
Ter terechtzitting zijn verschenen:
- de advocaat van de moeder;
- de Raad, vertegenwoordigd door mevrouw F.L.M. Huizinga;
- Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam (hierna: BJAA), vertegenwoordigd door de gezinsvoogd;
- mevrouw [y] (hierna: de grootmoeder).
1.6.
De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

2.De feiten

2.1.
[in] 2008 is […] geboren (hierna: [de minderjarige]). De moeder heeft het gezag over hem. De moeder woont sinds 2 februari 2014 met [de minderjarige] in Turkije.
Uit de relatie van de moeder met de heer [x] is geboren [kind] [in] 2014. [kind] is in Turkije geboren en de moeder woont in Turkije met hem, [de minderjarige] en [x], haar partner, samen.
2.2.
Bij beschikking van 6 februari 2014 van de kinderrechter is de op 5 februari 2014 mondeling gegeven beslissing, waarbij [de minderjarige] hangende het onderzoek voorlopig onder toezicht is gesteld van BJAA voor de duur van drie maanden, bevestigd. Voorts is de mondeling verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf in een crisispleeggezin, met ingang van 5 februari 2014, voor de duur van veertien dagen, bevestigd.
2.3.
In het dossier bevindt zich onder meer een rapport van de Raad van 6 februari 2014, een e-mail van de moeder van 15 augustus 2014 aan E. Hankes, coördinator team Seksuele Kindermishandeling/Vermissingen bij de politie Amsterdam, waarin zij meedeelt van het bestaan van de twee beschikkingen van de rechtbank op de hoogte te zijn maar deze (nog) niet te hebben ontvangen, en een e-mail van E. Hankes aan de moeder waarin is vermeld dat de twee beschikkingen van de rechtbank als bijlage zijn bijgevoegd.

3.Het geschil in hoger beroep

3.1.
Bij de bestreden beschikking is, op verzoek van de Raad, de bij beschikking van 6 februari 2014 uitgesproken voorlopige ondertoezichtstelling van [de minderjarige] met ingang van 5 februari 2014 tot 18 februari 2014 gehandhaafd. Voorts is de bij beschikking van 6 februari 2014 verleende machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf in een crisispleeggezin met ingang van 5 februari 2014 tot 18 februari 2014 gehandhaafd.
Tenslotte is [de minderjarige] onder toezicht gesteld van BJAA met ingang van 18 februari 2014 voor de duur van een jaar, en is machtiging verleend tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor verblijf elders, te weten bij grootmoeder m.z., met ingang van 18 februari 2014 voor de duur van een jaar.
3.2.
De moeder heeft oorspronkelijk verzocht, met vernietiging van de bestreden beschikking, de Raad niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, de Nederlandse rechter onbevoegd te verklaren dan wel de verzoeken tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [de minderjarige] af te wijzen wegens het ontbreken van de wettelijke gronden.
In haar stuk van 20 november 2014 heeft zij het hoger beroep met betrekking tot de uithuisplaatsing van [de minderjarige] ingetrokken, nu de machtiging tot uithuisplaatsing niet binnen drie maanden door BJAA is geëffectueerd en derhalve is komen te vervallen op grond van artikel 1:262 lid 3 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
3.3.
De Raad heeft ter zitting verzocht de bestreden beschikking ten aanzien van de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te bekrachtigen.

4.Beoordeling van het hoger beroep

4.1.
Ter beoordeling ligt ten eerste de vraag aan het hof voor of de moeder ontvankelijk is in haar hoger beroep.
De moeder stelt dat de rechtbank Amsterdam de bestreden beschikking per gewone post naar het adres van de grootmoeder (de moeder van de vrouw) heeft gestuurd. Zij verbleef op dat moment al in Turkije en primair stelt zij dat ze pas op 15 augustus 2014 op de hoogte is geraakt van de bestreden beschikking, doordat E. Hankes van de politie Amsterdam haar de beschikking op haar eigen verzoek heeft gestuurd. Subsidiair stelt zij dat zij op 17 juli 2014 door de Nederlandse ambassade te Ankara, Turkije, op de hoogte is gesteld van de bestreden beschikking. De moeder heeft op 13 oktober 2014 hoger beroep ingesteld, derhalve binnen de wettelijke termijn van drie maanden vanaf 15 augustus 2014 respectievelijk 17 juli 2014 en zij is derhalve ontvankelijk in haar beroep, aldus de moeder.
Het hof overweegt dat de moeder blijkens een uittreksel uit de Gemeentelijke Basisadministratie sinds 21 januari 2014 tot in ieder geval 24 november 2014 stond ingeschreven op het adres van de grootmoeder. Gebleken is dat de moeder in de procedure in eerste aanleg niet verschenen is. De bestreden beschikking had op grond van de artikelen 805 jo 291 jo 272 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) derhalve per aangetekende post verstuurd dienen te worden. Nu gebleken is dat de bestreden beschikking per gewone post naar het adres van de grootmoeder is verzonden, geldt volgens artikel 806 lid 1 sub b Rv Pro een beroepstermijn van drie maanden te rekenen vanaf de datum waarop de bestreden beschikking de moeder bekend is geworden. Niet betwist wordt de stelling van de moeder dat zij hetzij op 17 juli 2014 hetzij op 15 augustus 2014 bekend is geworden met de bestreden beschikking. De moeder heeft op 13 oktober 2014 hoger beroep ingesteld, te weten binnen drie maanden gerekend vanaf zowel 17 juli 2014 als 15 augustus 2014. Zij is derhalve ontvankelijk in haar hoger beroep.
4.2.
Voorts ligt ter beoordeling van het hof de vraag voor of de Nederlandse rechter bevoegd is van de zaak kennis te nemen.
De moeder stelt dat zij en [de minderjarige] op 2 februari 2014 naar Turkije zijn vertrokken met het doel zich daar te vestigen. Haar partner [x] is op 15 februari 2014 eveneens naar Turkije gegaan. Zij beschikken in Turkije over zelfstandige woonruimte, hun zoontje [kind] is er geboren en gaat daar naar het consultatiebureau, en [de minderjarige] gaat naar de voorschool en is ingeschreven op de basisschool. [de minderjarige] kan derhalve geacht worden met ingang van 2 februari 2014 zijn gewone verblijfplaats in Turkije te hebben gehad. Als gevolg daarvan is de Nederlandse rechter met ingang van die datum niet (meer) bevoegd van de zaak kennis te nemen. De bestreden beschikking en de beschikking waarbij de voorlopige ondertoezichtstelling van [de minderjarige] is uitgesproken zijn na 2 februari 2104 uitgesproken, derhalve door een onbevoegde rechter, aldus de moeder.
De Raad heeft ter zitting aangevoerd dat de moeder het vertrek naar Turkije niet had voorbereid. [de minderjarige] heeft geen afscheid genomen op school en de grootmoeder was niet van het vertrek op de hoogte. De Raad heeft in een gesprek met de moeder besproken dat de Raad van plan was om een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken. Kort na dat gesprek is de moeder vertrokken, hetgeen meer lijkt op een vlucht dan een goed voorbereid vertrek. Uiteindelijk is de situatie anders uitgepakt en woont de moeder met [de minderjarige] nog altijd in Turkije. Dit neemt niet weg dat er sprake was van een ernstige bedreiging voor de ontwikkeling van [de minderjarige], aldus de Raad.
4.3.
Het hof overweegt ten aanzien van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter als volgt.
Uit het dossier is gebleken, voor zover thans van belang, dat de Raad op 5 februari 2014 de kinderrechter mondeling heeft verzocht om [de minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen van BJAA en dit op 6 februari 2014 schriftelijk heeft verzocht. Voorts is gebleken dat de moeder en [de minderjarige] een stempel in hun paspoort hebben waaruit volgt dat zij op 2 februari 2014 zijn aangekomen in Istanbul (Turkije). Door de Raad is overigens ook niet betwist dat de moeder en [de minderjarige] op 2 februari 2014 in Turkije zijn aangekomen. Uit (verklaringen in) het dossier blijkt voorts dat de partner van de moeder, [x], eveneens naar Turkije is gegaan, dat hun zoontje [kind] er is geboren en daar naar het consultatiebureau gaat, en [de minderjarige] naar de voorschool is gegaan en thans naar de basisschool gaat. Dat het vertrek kennelijk niet goed was voorbereid zoals de Raad stelt, doet niet af aan de gebleken intentie van de moeder om in ieder geval gedurende langere tijd met [de minderjarige] in Turkije te blijven. Dat sprake was van een vlucht van de moeder, is evenmin komen vast te staan gelet op de gemotiveerde betwisting hiervan door de moeder. Gelet op deze omstandigheden acht het hof voldoende aannemelijk dat de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] met ingang van 2 februari 2014 niet langer in Nederland is, maar in Turkije. Dit leidt ertoe dat op grond van artikel 1 van Pro het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 de Nederlandse rechter onbevoegd was om op 5 februari 2014 van het verzoek van de Raad kennis te nemen.
4.4.
Dit leidt tot de volgende beslissing.

5.Beslissing

Het hof:
verklaart de moeder ontvankelijk in haar hoger beroep;
verklaart de Nederlandse rechter onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Wigleven, mr. H.T. van der Meer en mr. P.J.W.M. Sliepenbeek in tegenwoordigheid van mr. D.M. Jansen als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2015.