Uitspraak
1.[appellante sub 1] ,
[appellante sub 2] ,
Gerechtshof Amsterdam
Twee natuurlijke personen huurden gezamenlijk een bedrijfsruimte voor een restaurant. Na het faillissement van één huurder zegde de verhuurder de huurovereenkomst op grond van artikel 39 Faillissementswet Pro jegens beide huurders op. De huurovereenkomst was ondeelbaar, waardoor de verhuurder in beginsel bevoegd was tot opzegging jegens beiden.
De niet-failliete huurder stelde dat de opzegging jegens haar geen effect had en dat de huurovereenkomst voortduurde. Het hof oordeelde dat hoewel de huurovereenkomst ondeelbaar is en de verhuurder de opzegging jegens beiden kan richten, de opzegging jegens de niet-failliete huurder misbruik van bevoegdheid oplevert. De onderneming werd goed gedreven en de betalingsachterstand betrof slechts de indexering van de huurprijs.
Het hof vernietigde het vonnis van de kantonrechter voor zover het de beëindiging van de huurovereenkomst betrof, verklaarde de opzegging zonder effect en veroordeelde de huurder tot betaling van de achterstallige indexering met rente. De proceskosten werden gecompenseerd en de overige vorderingen afgewezen.
Uitkomst: De opzegging van de huurovereenkomst wegens faillissement heeft geen effect en de huurovereenkomst blijft van kracht; de huurder is veroordeeld tot betaling van achterstallige indexering.