Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
te verplichten tot het voldoen aan de contactgeluidsisolatienorm van tenminste 10 dB, maar dat de beslissing van de kantonrechter niet in de weg staat aan de mogelijkheid voor hem om rechtstreeks een vordering tegen [A] in te stellen, slaagt evenmin. Immers de kantonrechter heeft op 24 oktober 2007 een onherroepelijke beschikking gegeven. De kantonrechter heeft daarin reeds geoordeeld dat de parketvloer voldoet aan de in de splitsingsakte neergelegde contactgeluidsisolatienorm van tenminste 10 dB. In het onderhavige geschil is derhalve precies dezelfde vraag (...) aan de orde als in de procedure bij de kantonrechter. Nu de kantonrechter over die vraag heeft beslist kan daar niet nogmaals over worden beslist. Wie de eigenaar van de parketvloer is, [B] en [C] , [A] of een derde, is niet relevant. Met [A] als eigenaar van de parketvloer wordt de zaak inhoudelijk niet anders.
grief Ikomt [appellant] op tegen de vaststelling van de kantonrechter in de bestreden beschikking en de daaraan voorafgaande tussenbeschikking (waarbij een descente is gelast) dat de VvE is verschenen bij haar gemachtigde, mr. [D] en ter zitting door hem en [A] is vertegenwoordigd. Volgens [appellant] was het bestuur van de VvE op de mondelinge behandeling niet aanwezig en evenmin twee gezamenlijk handelende bestuursleden, zoals bepaald in artikel 41 lid 8 van Pro de splitsingsakte. Daarmee was de VvE niet rechtsgeldig vertegenwoordigd en dus niet in de procedure verschenen. Ook de voorzitter van de VvE was niet aanwezig ter vervanging van het bestuur (artikel 5:133 lid 1 BW Pro). [A] als (slechts) lid van de VvE en mr. [D] , die geen advocaat is, hebben geen volmacht getoond waaruit blijkt dat de VvE hen heeft gemachtigd namens de VvE te verschijnen en verweer te voeren. De kantonrechter heeft het door mr. [D] aangevoerde verweer ten onrechte meegenomen in de beoordeling, aldus nog steeds [appellant] .
grieven II en IIIrichten zich tegen de rechtsoverwegingen 5 en 6 in de bestreden beschikking (zie hiervoor onder 3.3) en lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Volgens [appellant] is in artikel 17 lid 7 van Pro het splitsingsreglement een goederenrechtelijke norm vastgelegd, waaraan harde vloeren/vloerbedekking in het appartementencomplex minimaal moeten voldoen. Het is aan de eigenaar die een harde vloer aanlegt, te bewijzen dat die vloer aan de gestelde normen voldoet. [A] noch de VvE heeft aangetoond dat dit het geval is. Reeds om die reden dient de VvE te handhaven. [appellant] heeft met de notitie van [F] en laboratorium metingen van TNO van de Kombifloor 19 aangetoond dat de vloerafwerking in het appartement van [A] met slechts 6 dB contactgeluidsisolatie niet aan de norm van minimaal 10 dB voldoet. De eenmalige, korte en subjectieve waarneming van de kantonrechter is niet de norm en om die reden ook diens verwijzing naar het al dan niet dragen van schoenen met leren hakken en het (veel of weinig) stofzuigen door [A] niet ter zake doend. Op deze feitelijke gedragingen, ook van een opvolgend eigenaar, heeft [appellant] geen enkele invloed. Aan een belangenafweging kan dan ook niet worden toegekomen, waarbij komt dat in het kader van een procedure ex artikel 5:121 BW Pro de belangen van [appellant] niet mogen worden gewogen tegen die van [A] maar enkel tegen de eventuele belangen van de VvE, aldus nog steeds [appellant] .
grief V, die geen zelfstandige betekenis heeft, behandeld en verworpen. De door de kantonrechter in het midden gelaten vraag of een machtiging in deze vorm die (in de woorden van de kantonrechter) toch neerkomt op een opdracht aan de VvE wel toewijsbaar is, waartegen
grief IVis gericht, kan het hof gelet op het falen van de grieven II en III onbesproken laten.
Grief VIvan [appellant] is eveneens gericht tegen de kostencompensatie in eerste aanleg.