Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde sub 1] ,
2. [geïntimeerde sub 2] ,
3. [geïntimeerde sub 3] ,
4. [geïntimeerde sub 4] ,
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.Feiten
- i) De rechtsvoorgangers van [geïntimeerden] hebben een huurovereenkomst gesloten met [A] met betrekking tot de woning gelegen te Amsterdam aan de [adres] tegen een huurprijs van laatstelijk € 661,56 per maand. [A] is op 3 januari 2104 in een ziekenhuis overleden zonder nalaten van erfgenamen.
- ii) De woning is begin januari 2014 door de politie aan [geïntimeerden] overgedragen onder de mededeling dat er geen erfgenamen zijn en dat er geen personen in de woning zijn achtergebleven die medehuurders zijn of met wie [A] een duurzame gemeenschappelijke huishouding had. Tevens is mededeling gedaan dat [appellant] gebruik maakte van het bij de woning behorende souterrain.
- iii) De woning bestaat uit drie verdiepingen, te weten het souterrain, de zogenaamde beletage en een eerste verdieping. De beletage en de eerste verdieping van de woning zijn bereikbaar vanaf de straat via een trap naar boven. Het souterrain heeft een eigen toegang via een trap vanaf straatniveau naar beneden en heeft voorts een inpandige trap naar de beletage.
- iv) Bij brief van 25 januari 2014 heeft [appellant] aan Vastgoed Management Fris bericht dat hij de huur op het adres [adres] graag wilde voortzetten.
- v) Bij brief van 29 januari 2014 heeft Van Twuijver Incasso & Gerechtsdeurwaarder aan [appellant] bericht dat Fris Vastgoed Management niet bereid was te bewilligen in een voortzetting van de (gedeeltelijke) bewoning van het pand en dat de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 6 BW Pro per 31 maart 2014 van rechtswege zou eindigen. [appellant] is verzocht om de woning te ontruimen binnen veertien dagen.
- vi) [appellant] heeft hieraan geen gevolg gegeven.
- vii) [appellant] heeft na de procedure in eerste aanleg de woning begin december 2014 ontruimd.