Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2001 gehuwd en hebben twee kinderen. Na ontbinding van het huwelijk is de man verplicht tot betaling van kinderalimentatie, welke bij beschikking en ouderschapsplan is vastgesteld op €50 per kind per maand. In 2013 is de man failliet verklaard en is vervolgens de WSNP-regeling op hem van toepassing verklaard.
De man verzoekt in hoger beroep om de alimentatieverplichting te laten vervallen zolang de WSNP van toepassing is, met terugwerkende kracht vanaf de datum van omzetting van het faillissement in de schuldsaneringsregeling. Het hof overweegt dat vaste jurisprudentie uitgaat van nihil draagkracht tijdens WSNP, tenzij de rechter-commissaris anders bepaalt. De berekening van het vrij te laten bedrag (VTLB) houdt geen rekening met alimentatie, en de rechter-commissaris heeft aangegeven dat nihilstelling moet worden verzocht.
Het hof oordeelt dat de man geen draagkracht heeft voor alimentatie zolang de WSNP loopt, en dat voortzetting van de verplichting het risico op nieuwe schulden vergroot, wat het WSNP-traject zou frustreren. De nihilstelling wordt met terugwerkende kracht vastgesteld vanaf 19 november 2013. De vrouw hoeft niet terug te betalen wat zij sinds 2015 ontving, omdat zij ook in een WSNP-traject zit. Het verzoek tot proceskostenveroordeling en verlaging van griffierechten wordt afgewezen.
Uitkomst: De kinderalimentatieverplichting van de man wordt tijdens het WSNP-traject met terugwerkende kracht op nihil gesteld.