Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen waren 26 jaar gehuwd en zijn in 2009 gescheiden met een convenant waarin partneralimentatie was geregeld als een bedrag gelijk aan de hypotheekrente die de man betaalde. De man verzocht de partnerbijdrage te beëindigen of te matigen vanaf 1 januari 2014 wegens gewijzigde omstandigheden en grievend gedrag van de vrouw.
Het hof oordeelde dat het grievende gedrag van de vrouw niet zodanig was dat de onderhoudsverplichting kon worden beëindigd of gematigd. De vrouw ontving een WAO-uitkering en woonde alleen met een meerderjarig kind. De man werkte in loondienst met een bruto jaarinkomen van circa €56.870 en had woonlasten en autokosten.
De behoefte van de vrouw werd vastgesteld op €855 bruto per maand vanaf 1 januari 2014, geïndexeerd naar €862 vanaf 1 januari 2015. De draagkracht van de man werd berekend op basis van zijn inkomen en lasten, waarbij rekening werd gehouden met hypotheekrente, aflossing, woonlasten en autokosten. Het hof bepaalde de partnerbijdrage op €537 bruto per maand tot 27 september 2015 en €862 daarna.
Het hof vernietigde de eerdere beschikking en stelde de nieuwe bijdrage vast, verklaarde de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en wees verdere verzoeken af. Het oordeel benadrukte terughoudendheid bij beëindiging van onderhoudsverplichtingen en het belang van redelijkheid in de beoordeling van behoefte en draagkracht.
Uitkomst: Het hof wijzigt de partnerbijdrage en bepaalt een bruto maandelijkse uitkering van €537 tot 27 september 2015 en €862 daarna.