Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
200.174.486/01in hoger beroep van:
1.[A] ,
200.174.489/01in hoger beroep van:
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak zijn twee appellanten in hoger beroep gekomen tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van hun minderjarige kinderen, [kind a] en [kind b]. De kinderen waren eerder uit huis geplaatst vanwege detentie van ouders en onstabiele leefomstandigheden. De GI verzocht om verlenging van de uithuisplaatsing.
Ter zitting bleek dat de kinderen inmiddels in Servië verbleven, nadat zij niet langer bij het pleeggezin konden blijven vanwege het overlijden van de pleegvader. Appellanten stelden dat de moeder [B] inmiddels stabiele zorg kan bieden en bereid is samen te werken met hulpverlening. De GI en de Raad voor de Kinderbescherming betoogden dat de situatie onstabiel blijft en dat uithuisplaatsing noodzakelijk is.
Het hof oordeelde dat hoewel de oorspronkelijke gronden voor uithuisplaatsing terecht waren vastgesteld, de omstandigheden inmiddels zijn gewijzigd. De moeder is uit detentie en teruggekeerd, heeft een stabiel inkomen en woning, en toont bereidheid tot samenwerking. De GI kon onvoldoende aantonen dat zij de kinderen op lange termijn de noodzakelijke stabiliteit kan bieden.
Daarom vernietigde het hof de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing en wees het verzoek van de GI tot verlenging af. De eerdere machtiging tot uithuisplaatsing werd bekrachtigd voor de periode tot het moment van uitspraak. Het hof benadrukte het belang van terugkeer van de kinderen naar Nederland en hun reguliere leven.
De uitspraak werd gedaan door mr. H.A. van den Berg, mr. M. Wigleven en mr. L.M. Coenraad op 17 november 2015.
Uitkomst: De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen is vernietigd en het verzoek tot verlenging afgewezen.