Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
.
Gerechtshof Amsterdam
Klaagster diende zelfstandig een klacht in tegen de notaris, waarin zij hem beschuldigde van samenspanning met diverse partijen om haar onroerendgoedportefeuille tegen een te lage prijs te verkopen. De kamer voor het notariaat had de klacht ongegrond verklaard.
Het hof onderzocht vervolgens de ontvankelijkheid van klaagster in haar klacht, waarbij werd vastgesteld dat zij sinds 2011 wegens een geestelijke stoornis onder curatele staat. Hoewel artikel 99 van Pro de Wet op het notarisambt bepaalt dat iedereen met een redelijk belang een klacht kan indienen, geldt dit slechts als de persoon in staat is tot een redelijke waardering van zijn belangen. Het hof oordeelde dat klaagster hiertoe niet in staat is, gelet op haar geestelijke toestand en de inhoud van haar klaagschrift.
Het hof zag geen aanleiding om de curator van klaagster in het geding te betrekken. Hierdoor concludeerde het hof dat de kamer klaagster niet in haar klacht had mogen ontvangen en verklaarde haar alsnog niet-ontvankelijk. De bestreden beslissing van de kamer werd vernietigd.
Uitkomst: Klaagster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar klacht tegen de notaris wegens onvoldoende vermogen tot redelijke belangenwaardering door geestelijke stoornis en curatele.