Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1992 gehuwd en zijn op 14 januari 2015 gescheiden. Uit het huwelijk zijn twee meerderjarige kinderen geboren. De man betaalde aanvankelijk een voorlopige partneralimentatie van €224 en later €426 per maand aan de vrouw. De vrouw verzocht om een bijdrage van €1.124 per maand, terwijl de man in hoger beroep primair de beschikking wilde vernietigen en subsidiair de alimentatie wilde verlagen.
Het hof stelde vast dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw €1.375 netto bedroeg, gebaseerd op het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2013 minus de kosten voor studerende kinderen volgens de WSF-norm. De aanvullende behoefte van de vrouw werd vastgesteld op €200 per maand, rekening houdend met haar inkomen en de mogelijkheid tot overwerk. De man had een draagkrachtberekening overgelegd waaruit bleek dat hij €440 per maand kon betalen.
Het hof oordeelde dat de vrouw haar standpunt voldoende had onderbouwd dat zij niet in staat is volledig in haar levensonderhoud te voorzien door haar dienstverband uit te breiden. De man kon een bedrag van €440 betalen, maar het hof bepaalde de alimentatie op €200 per maand. De eerdere beschikking werd vernietigd en vervangen door deze nieuwe vaststelling, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
Uitkomst: De partneralimentatie is vastgesteld op €200 per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.