Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.maatschap [X] NOTARISSEN,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid HEDEN VERSCHEEN B.V.,
3. [geïntimeerde sub 3] ,
,
4.de publiekrechtelijke rechtspersoon
,
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
Voormeld registergoed is niet anders bezwaard dan met:
4.000.000 te vermeerderen met rente en kosten, begroot op € 2.400.000 en aan [Y] Beheer B.V. een tweede recht van hypotheek voor een hoofdsom van € 2.000.000 te vermeerderen met rente en kosten, begroot op
Abusievelijk is in het onderhavige geval in de Basisregistratie Kadaster het bedrag van de geldlening ad € 3.000.000 vermeld in plaats van het bedrag van de hypotheekstelling ad € 4.000.000. Wanneer het brondocument uit het Openbaar Register was geraadpleegd was duidelijk geworden dat het bedrag waarvoor hypotheek werd verleend € 4.000.000 bedroeg. De verwijzing naar het brondocument (het deel en nummer van inschrijving) was aanwezig in de Basisregistratie Kadaster. De fout (…) is gecorrigeerd na een melding (…) en na het raadplegen van de openbare registers door een medewerker van het Kadaster.(…)”
vergissing)evenzeer. Dat [appellant] als, op dat moment potentiele hypotheeknemer, belang had bij juistheid van de basisregistratie op dat punt is evident. Ook als, met het Kadaster, wordt aangenomen dat het belang van de basisregistratie vooral gelegen is in het ontsluiten van de openbare registers is immers de vermelding van het bedrag van de lening waarvoor het eerste hypotheekrecht is gevestigd voor een potentiele nieuwe hypotheeknemer een relevant gegeven, dat door het Kadaster in de basisregistratie opgenomen is. Dat [appellant] niet zelf de basisregistratie heeft ingezien (maar dat heeft overgelaten aan de notaris) is in dat verband zonder belang. In hoeverre ook de notaris een verwijt valt te maken en welke gevolgen daaraan te verbinden zijn voor de onderlinge draagplicht tussen hen is louter van belang in de onderlinge verhouding tussen de notaris en het Kadaster, en niet in dit geding.
4.Beslissing
uiterlijk 4 weken na heden schriftelijk en onder opgave van de verhinderdata van alle voornoemde betrokkenen in de periode van december 2015 tot en met maart 2016 aan het (enquêtebureau van het) hof dient te verzoeken een datum te bepalen;