Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] ,
[appellant 2],
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2]
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak stond een schadestaatprocedure centraal waarbij appellant en geïntimeerden betrokken waren bij een geschil over onrechtmatig verkregen bezit van auto’s. Appellant 1 en 2 vorderden vergoeding van schade wegens het onrechtmatig in bezit komen van auto’s door geïntimeerde 1 en 2. De rechtbank stelde de schade vast op €57.633,-, zijnde 50% van de opgegeven waarde, en wees de vorderingen in conventie en reconventie grotendeels af.
In hoger beroep werd de eisvermeerdering van appellant 1 en 2 afgewezen omdat deze te laat was ingediend. Het hof bevestigde dat van de dertig betrokken auto’s vijftien waren geretourneerd en dat de schadevergoeding terecht op 50% van de waarde werd begroot. De betwisting van de betrouwbaarheid van facturen en koerslijsten door geïntimeerde werd onvoldoende gegrond bevonden.
Verder oordeelde het hof dat de vordering van geïntimeerde 1 wegens verkoop van occasionvoorraad aan appellant 1 was verjaard, maar dat verrekening op grond van artikel 6:131 BW Pro mogelijk bleef. Uiteindelijk werd de verrekening correct toegepast, waardoor geen verdere vorderingen resteren. Het hof bekrachtigde de eerdere vonnissen en veroordeelde appellant 1 en 2 in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen en wijst de vorderingen van appellant 1 en 2 af, met veroordeling in de kosten.