Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
6 oktober 2015.
[getuige]voor zich verschijnen.
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak stond de strekking en reikwijdte van het verschoningsrecht van een getuige die bloedverwant is van verdachten centraal. De getuige weigerde antwoorden te geven op vragen die betrekking hadden op de strafzaken tegen zijn zoon en neef, en beriep zich op het verschoningsrecht zoals geregeld in artikel 217 van Pro het Wetboek van Strafvordering.
De advocaat-generaal betwistte het onverkorte verschoningsrecht voor alle vragen, met name die over de periode 2014-2015 en contacten met andere getuigen. De verdediging benadrukte het belang van het verschoningsrecht vanwege de complexe aard van de zaak en de mogelijke gevolgen voor de getuige en zijn bloedverwanten.
Het hof stelde vast dat de getuige in tien strafzaken werd gehoord die gelijktijdig maar niet gevoegd werden behandeld. Gezien de bloedverwantschap met twee verdachten en de materiële verwevenheid tussen de zaken, oordeelde het hof dat het verschoningsrecht ook geldt voor de overige acht strafzaken waarin de overige verdachten als medeverdachten kunnen worden aangemerkt.
Het hof besloot dat er geen noodzaak was tot verdere vragen en verleende de getuige toestemming de zittingszaal te verlaten, waarmee het beroep op het verschoningsrecht werd bevestigd.
Uitkomst: De getuige kan zich op grond van artikel 217 Sv onverkort verschonen in alle aan de orde zijnde strafzaken vanwege bloedverwantschap en materiële verwevenheid.