ECLI:NL:GHAMS:2015:4039

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
29 september 2015
Publicatiedatum
1 oktober 2015
Zaaknummer
200.169.615/01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 224 Rv
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot zekerheidstelling proceskosten wegens onvoldoende bewijs verblijfplaats appellant

In deze civiele procedure in hoger beroep vordert geïntimeerde zekerheidstelling voor proceskosten van appellant, omdat appellant niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen en vermoedelijk geen woon- of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Geïntimeerde stelt dat hierdoor het verhaal van proceskosten wordt bemoeilijkt.

Appellant voert verweer tegen deze vordering. Het hof overweegt dat artikel 224 lid 1 Rv Pro bepaalt dat degene zonder woon- of gewone verblijfplaats in Nederland zekerheid moet stellen voor proceskosten, tenzij een uitzondering van toepassing is. Het doel van deze regeling is het voorkomen van bemoeilijking van verhaal van proceskosten.

Het hof acht het enkel ontbreken van inschrijving in de Basisregistratie Personen onvoldoende om aan te nemen dat appellant geen woon- of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Daarom wijst het hof de vordering tot zekerheidstelling af. De kosten van het incident worden aan geïntimeerde opgelegd, en de hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor partijberaad.

Uitkomst: De vordering tot zekerheidstelling voor proceskosten wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van het ontbreken van een woon- of gewone verblijfplaats in Nederland.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.169.615/01
zaak-/rolnummer rechtbank Noord-Holland : 2932493 \ CV EXPL 14-1170
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 29 september 2015
inzake
[APPELLANT],
wonend te [woonplaats],
appellant in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat:
mr. H.L. Thieschefferte Leeuwarden,
tegen:
[GEÏNTIMEERDE],
wonend te [woonplaats],
geïntimeerde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat:
mr. E.T. van den Houtte Amsterdam.
Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1.Het geding in hoger beroep

[appellant] is bij dagvaarding van 22 januari 2015 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, van 22 oktober 2014 dat onder bovengenoemd zaak-/rolnummer is gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.
Partijen hebben daarna de volgende stukken ingediend:
- memorie van grieven, met producties;
- incidentele conclusie tot zekerheidstelling voor de proceskosten ex artikel 224 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), tevens memorie van antwoord in de hoofdzaak, met producties;
- conclusie van antwoord in het incident, met een productie.
Vervolgens is arrest gevraagd in het incident.
[geïntimeerde] heeft incidenteel gevorderd dat [appellant] zekerheid zal stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan [appellant] in de hoofdzaak veroordeeld zou kunnen worden, primair door het stellen van een bankgarantie van een Nederlandse bank naar het model van de Nederlandse Vereniging van Banken, subsidiair door bijschrijving op de derdengeldrekening van het kantoor van de advocaat van [geïntimeerde], dan wel een andere door het hof aan te wijzen derdengeldrekening, en meer subsidiair in een door het hof in goede justitie te bepalen vorm, telkens voor een bedrag van € 4.487,-, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag, een en ander binnen vijf dagen na het in deze te wijzen arrest in incident, althans binnen een door het hof in goede justitie te bepalen termijn, met veroordeling van [appellant] in de (na)kosten van het incident, te vermeerderen met de wettelijke rente, uitvoerbaar bij voorraad.
[appellant] heeft geconcludeerd dat het hof [geïntimeerde] niet-ontvankelijk zal verklaren in zijn incidentele vordering tot zekerheidstelling, althans deze zal afwijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het incident.

2.Beoordeling

in het incident
2.1.
Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering tot zekerheid heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat [appellant] thans (kennelijk) geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Daartoe wijst [geïntimeerde] op een door hem in hoger beroep als productie 1 overgelegd e-mailbericht van 1 juli 2015 van de met betekening en executie van het bestreden vonnis belaste deurwaarder, waaruit blijkt dat [appellant] niet in Nederland staat ingeschreven. [geïntimeerde] stelt dat hij recht en belang heeft bij toewijzing van zijn incidentele vordering, omdat het verhaal van de proceskosten - zoals reeds is gebleken bij het innen van de kosten van de eerste aanleg waarin [appellant] is veroordeeld - ernstig wordt bemoeilijkt doordat [appellant] (kennelijk) geen woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland heeft, althans zich kennelijk schuil houdt voor schuldeisers zoals [geïntimeerde].
2.2.
[appellant] heeft verweer gevoerd op gronden waarop hierna, voor zover van belang, zal worden ingegaan.
2.3.
Op grond van artikel 224 lid 1 Rv Pro dient degene die, zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, bij een Nederlandse rechter een vordering instelt op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij in die procedure veroordeeld zou kunnen worden, tenzij een van de in artikel 224 lid 2 Rv Pro genoemde uitzonderingen van toepassing is. Doel van de regeling is te voorkomen dat verhaal van proceskosten wordt bemoeilijkt doordat de daartoe veroordeelde eiser (in hoger beroep: appellant) het centrum van zijn sociale en economische activiteiten buiten Nederland heeft (Vgl. Parlementaire geschiedenis, Herziening Rv, p. 393).
2.4.
Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de enkele door [geïntimeerde] aangevoerde omstandigheid dat [appellant] niet staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen, voorheen de gemeentelijke basisadministratie, onvoldoende is om aan te nemen dat [appellant] geen woon- of gewone verblijfplaats in Nederland heeft. Op grond hiervan zal de incidentele vordering tot zekerheidstelling van [geïntimeerde] worden afgewezen. De op grond van het tweede lid van artikel 224 Rv Pro gebaseerde verweren van [appellant] kunnen onbesproken blijven.
2.5.
[geïntimeerde] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, bij het eindarrest in de hoofdzaak worden veroordeeld in de kosten van dit incident.
in de hoofdzaak
2.6.
De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen voor partijberaad.

3.Beslissing

Het hof:
in het incident
wijst de vordering af;
houdt de beslissing over de proceskosten van dit incident aan tot het eindarrest in de hoofdzaak;
in de hoofdzaak:
verwijst de zaak naar de rol van 13 oktober 2015 voor partijberaad;
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. R.J.M. Smit, C. Uriot en G.C. Boot en is door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 29 september 2015.