De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het witwassen van een geldbedrag van 459.950 euro dat bij hem werd aangetroffen op Schiphol. In hoger beroep stelde de verdediging dat het geld legaal was verkregen uit diverse handelsactiviteiten, onderbouwd met documenten, en dat het Openbaar Ministerie onvoldoende onderzoek had gedaan naar deze verklaring.
Het hof hanteerde het toetsingskader voor witwassen zonder direct bewijs van brondelicten: bij een vermoeden van witwassen moet de verdachte een concrete, verifieerbare en niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geven over de herkomst van het geld. De verklaringen van de verdachte werden als wisselend, tegenstrijdig en ongeloofwaardig beoordeeld, mede door het ontbreken van bewijs voor de genoemde ondernemingen en twijfel over de echtheid van een verkoopdocument.
Verder werd vastgesteld dat de verdachte een vervalste douaneverklaring gebruikte en geen aannemelijke verklaring gaf over de herkomst van het geld. Het hof concludeerde dat het geld met voldoende zekerheid uit een misdrijf afkomstig moest zijn en dat de verdachte hiervan op de hoogte was.
Het hof wees het verzoek tot het horen van getuigen af en verwierp het verweer dat het geld uit een eigen misdrijf van de verdachte zou stammen. De straf werd vastgesteld op 16 maanden gevangenisstraf, rekening houdend met de ernst van het feit, het blanco strafblad, de hogere leeftijd van de verdachte en het lange tijdsverloop van de procedure. Daarnaast werd beslag gelegd op het geld en andere voorwerpen, waarvan een deel werd verbeurd verklaard en een deel werd teruggegeven.