Het hof is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van oordeel dat de vrouw met haar handelswijze, waarbij zij [de minderjarige] abrupt uit haar omgeving heeft weggehaald en heeft bewerkstelligd dat er geen omgang meer plaatsvindt tussen [de minderjarige] en de man, er blijk van heeft gegeven het belang van [de minderjarige] uit het oog te hebben verloren. Weliswaar staat vast dat [de minderjarige] zich goed ontwikkelt in Portugal en dat zij het er naar haar zin heeft, maar dat doet niet af aan het feit dat zij thans al weer een jaar is verstoken van contact met de man.
Naar het hof begrijpt, stelt de vrouw dat zij goede redenen heeft gehad om desondanks de band met de man door te snijden. De vrouw betoogt dat de man het haar onmogelijk maakt om gezamenlijk ouders van [de minderjarige] te zijn door zijn agressieve, intimiderende gedrag. Uit de door haar ter onderbouwing overgelegde verklaringen van een klinisch psycholoog en psychotherapeute van 21 november 2011 en 13 juli 2012 blijkt dat de vrouw sinds 31 januari 2011 psychotherapeutisch werd behandeld voor ernstige PTSS-klachten als reactie op een traumatische zwangerschapsbeleving en bevalling en dat ernstige relationele problemen met de man die vroegere ervaringen actualiseerden. Ook is vermeld dat de vrouw afkeer ervaart van de door haar waargenomen kille en manipulerende houding van de man. Uit die verklaringen blijkt echter niet van agressieve gedragingen van de man jegens haar, terwijl die verklaringen voorts, naar het hof bij gebrek aan andere stelling aanneemt, gebaseerd zijn op uitlatingen van de vrouw zelf jegens de betrokken hulpverleners. Uit de door de vrouw overgelegde brief van haar huisarts van 10 februari 2015 blijkt dat deze zich geïntimideerd heeft gevoeld door met name de advocaat van de man, zodat deze brief niet als onderbouwing kan dienen van gestelde intimidatie door de man zelf. Daarnaast heeft de vrouw de man verweten dat hij is verhuisd naar [b] , hetgeen de omgangsregeling hoe dan ook zou hebben bemoeilijkt. Nog daargelaten dat dit argument, afgezet tegen de handelwijze van de vrouw, schril aandoet, blijkt uit de door de man overgelegde huuropzegging van 28 november 2014 dat de man zijn huur pas per 30 december 2014, derhalve na de verhuizing van [de minderjarige] naar Portugal, heeft opgezegd. De man heeft verklaard zijn woning in [c] tot dan toe ten behoeve van de omgangsregeling te hebben aangehouden.
Gelet op het voorgaande heeft de vrouw naar het oordeel van het hof, in het licht van de gevolgen die dit heeft gehad voor [de minderjarige] ’s contact met de man, onvoldoende aangevoerd om te rechtvaardigen dat zij de band met de man als mede-ouder van [de minderjarige] volledig heeft doorgesneden.
De man geeft er op zijn beurt blijk van een mogelijke verhuizing van [de minderjarige] naar hem goed te hebben doordacht. Ter zitting in hoger beroep heeft hij onweersproken verklaard zich te hebben laten adviseren door een psycholoog. Hij heeft voorts een goed onderbouwd plan gepresenteerd waarin plaats is gemaakt voor begeleiding van de overgang van [de minderjarige] , en waarin is voorzien in omgang tussen de vrouw en [de minderjarige] , ook als de vrouw in Portugal zou blijven. Voorts heeft hij getoond zich er bewust van te zijn dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] zeer ingrijpend voor haar zal zijn en dat er een risico op hechtingsproblematiek aanwezig is.
Doordat de man in hoger beroep zijn toezegging dat hij, indien aan hem het gezag wordt opgedragen, [de minderjarige] bij de vrouw zal laten verblijven heeft ingetrokken, brengt een bekrachtiging van de bestreden beschikking onvermijdelijk mee dat [de minderjarige] zal moeten verhuizen van Portugal naar Nederland en van de vrouw naar de man. Duidelijk is dat een dergelijke verhuizing voor [de minderjarige] zeer ingrijpend zal zijn. De vrouw is sinds de geboorte al de verzorgende ouder van [de minderjarige] . [de minderjarige] heeft haar vader al een jaar niet gezien en het gaat goed met haar in Portugal. De beslissing tot emigratie van de vrouw, alsmede de wijze waarop die zijn beslag heeft gekregen, wekt evenwel bij het hof ernstige twijfels over de mogelijkheden van [de minderjarige] bij de vrouw, met name waar het gaat om de mogelijkheden haar vader te kennen en een band met hem op te bouwen. De vrouw geeft er immers blijk van dat zij geen enkele rol voor de man als vader van [de minderjarige] meer ziet weggelegd, terwijl de man omgekeerd wel het contact tussen [de minderjarige] en haar moeder wil waarborgen.
Alles afwegend acht het hof de toewijzing van het eenhoofdig gezag aan de man, niettegenstaande de ingrijpende gevolgen van de daarmee gepaard gaande wijziging van de verzorgingssituatie voor [de minderjarige] , in het belang van [de minderjarige] wenselijk. Daarbij acht het hof van groot belang dat de Raad intensieve bemoeienis heeft aangekondigd zodra [de minderjarige] terugkeert in Nederland.