Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.Het geschil in hoger beroep in beide zaken
4.Beoordeling van het hoger beroep in beide zaken
.De thuissituatie was dusdanig onstabiel en onvoorspelbaar dat observatie thuis geen betrouwbaar beeld zou kunnen geven van de oorzaak van de gedragsproblemen van de kinderen. Van belang is dat er thans vanuit de huidige verblijfplaats van de kinderen onderzoek en diagnostiek plaatsvindt om te bekijken wat de kinderen nodig hebben. Daarbij komt dat de vader altijd heeft geweigerd een onderzoek te laten verrichten naar zijn geestvermogens, althans JBRA geen inzage heeft gegeven in de onderzoeken naar zijn geestvermogens, terwijl dit gelet op voormelde zorgen over de kinderen wel noodzakelijk is. Het hof wenst de vader dan ook mee te geven dat hij in het belang van de kinderen alsnog zijn medewerking daaraan dient te verlenen, hoezeer dit ook als belastend wordt ervaren. Het hof overweegt voorts dat het sinds de uithuisplaatsing beter gaat met de kinderen nu er rust en regelmaat in hun leven is. Het hof is dan ook van oordeel dat de gronden voor de uithuisplaatsing en de continuering van de uithuisplaatsing aanwezig waren ten tijde van de bestreden beschikkingen en thans nog aanwezig zijn. Derhalve is ook voldaan aan de gronden voor de verlenging van de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van de spoeduithuisplaatsing is het hof van oordeel dat deze nodig was om onmiddellijk ernstig gevaar af te wenden voor de kinderen, nu blijkens bijlage 3 van het verweerschrift de begeleidster van de moeder op 26 januari 2015 heeft aangegeven dat de vader heeft geprobeerd de moeder over te halen niet akkoord te gaan met de uithuisplaatsing en eventueel te vluchten met de kinderen. Daarnaast bestond bij JBRA de angst dat de ouders de kinderen zouden belasten met een uithuisplaatsing. Hetgeen van de zijde van de vader is aangevoerd, kan niet tot een ander oordeel leiden.