Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1988 gehuwd en in 2010 gescheiden. De man betaalde partneralimentatie aan de vrouw, die werd vastgesteld op € 1.456,- per maand. Na het einde van zijn dienstverband en het ontvangen van een ontbindingsvergoeding van € 20.000,-, vroeg de man de alimentatie te beëindigen of te verminderen.
De vrouw werkt als lerares en ontvangt een WW-uitkering. De man ontvangt eveneens een WW-uitkering na zijn ontslag. Het hof stelde vast dat de vrouw een aanvullende behoefte aan partneralimentatie heeft van € 972,- bruto per maand vanaf 1 november 2014, gebaseerd op haar inkomen in 2014.
De man betoogde dat de ontbindingsvergoeding niet als inkomen voor draagkracht moest worden meegeteld, omdat deze bestemd zou zijn voor het dichten van een pensioengat. Het hof verwierp dit en rekende de volledige vergoeding mee, waarbij het bedrag over een periode van 62 maanden wordt gespreid.
Het hof oordeelde dat de man voldoende draagkracht heeft om de partneralimentatie te betalen en wees het verzoek tot beëindiging of afbouw van de alimentatie af. De alimentatie wordt vastgesteld op € 972,- per maand met ingang van 1 november 2014.
Uitkomst: De partneralimentatie wordt gewijzigd tot € 972,- per maand met ingang van 1 november 2014, waarbij de ontbindingsvergoeding van de man wordt meegerekend in zijn draagkracht.