ECLI:NL:GHAMS:2015:3244
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Betwisting betaling advocatendeclaraties en opdrachtgeverstelling in aandelentransactie
In deze civiele zaak vordert [X], een advocatenkantoor, betaling van declaraties aan [Y] Horeca B.V. voor werkzaamheden verricht tussen december 2007 en september 2008. [Y] betwist dat zij opdrachtgever was en stelt dat de werkzaamheden in opdracht van een derde, [A], zijn uitgevoerd. De rechtbank oordeelde dat [Y] opdrachtgever was voor werkzaamheden tot 28 mei 2008, maar niet voor werkzaamheden daarna, en verwees het geschil over de eerste periode naar de raad van toezicht voor een begrotingsprocedure.
Het hof bevestigt dat [Y] opdrachtgever was voor alle werkzaamheden, omdat [Y] geen tijdig bezwaar maakte tegen de facturen en er onvoldoende bewijs is dat [A] opdrachtgever was. De rechtbank werd bekrachtigd in het oordeel dat [Y] opdrachtgever was tot 28 mei 2008, en het incidenteel appel van [Y] wordt afgewezen. Voor de werkzaamheden vanaf 28 mei 2008 wijst het hof het principaal appel deels toe, maar houdt de zaak aan om [Y] in de gelegenheid te stellen een klachtenprocedure te doorlopen conform de kantoorklachtenregeling, aangezien de WTBZ per 1 januari 2015 is ingetrokken.
De zaak wordt verwezen naar de rol van 1 december 2015 voor nadere processtukken, en de kosten van het incidenteel appel worden aan [Y] opgelegd. Het arrest is gewezen door het hof Amsterdam op 28 juli 2015.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat [Y] opdrachtgever was voor alle werkzaamheden, wijst het incidenteel appel af en houdt het principaal appel aan voor klachtenprocedure over declaraties na 28 mei 2008.