ECLI:NL:GHAMS:2015:240

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
21 januari 2015
Publicatiedatum
3 februari 2015
Zaaknummer
13/00687
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Hoofdstuk IIIA Successiewet 1956Artikel 11 Wet van 15 mei 1829Algemene wet bestuursrecht artikel 8:75
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bedrijfsopvolgingsfaciliteit niet van toepassing op verkrijging box-3 vermogen bij erfrecht

Belanghebbende stelde dat het ongelijk behandelen van ondernemingsvermogen en box-3 vermogen bij de toepassing van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Het hof verwijst naar eerdere arresten van de Hoge Raad waarin deze kwestie is behandeld en wijst het beroep af. Daarnaast merkt het hof op dat de meerderheidsregel niet relevant is voor de toetsing van de wettelijke regeling aan het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijke wetgeving.

Het hof benadrukt dat het niet bevoegd is om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te toetsen, conform artikel 11 van Pro de Wet van 15 mei 1829. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard. Tevens ziet het hof geen aanleiding om de kosten van het geding aan belanghebbende op te leggen.

De uitspraak is op 21 januari 2015 mondeling gedaan door de belastingkamer van het gerechtshof Amsterdam. Tegen deze uitspraak staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden binnen zes weken na verzending van het vonnis.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bedrijfsopvolgingsfaciliteit is niet van toepassing op box-3 vermogen verkregen krachtens erfrecht.

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

kenmerk 13/00687
21 januari 2015
eerste meervoudige belastingkamer

proces-verbaal

van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep van

[X] te [Z], belanghebbende,

gemachtigde mr. F. Roet B. Ec. (Stichting Meldpunt Collectief Onrecht) te Heerhugowaard,
tegen de uitspraak in de zaak met kenmerk AWB 12/5340 van de rechtbank Noord-Holland, (hierna: de rechtbank) van 30 september 2013, in het geding tussen
belanghebbende
en

de inspecteur van de Belastingdienst kantoor Rotterdam, de inspecteur.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2015. Van het van het verhandelde ter zitting opgemaakte proces-verbaal is een afschrift aan dit proces-verbaal gehecht.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Gronden

1. Belanghebbende betoogt dat het in strijd is met het gelijkheidsbeginsel indien de bedrijfsopvolgingsfaciliteit als bedoeld in hoofdstuk IIIA van de Successiewet 1956 alleen van toepassing is op de verkrijging van ondernemingsvermogen en niet op het vermogen dat zij heeft verkregen. Dit met name omdat niet per onderneming wordt bekeken of er sprake is van liquiditeitsproblemen.
2. Dit betoog faalt gelet op de arresten van de Hoge Raad van 22 november 2013, onder meer nr. 13/01622, ECLI:NL:HR:2013:1211, r.o 3.3.12. Het Hof merkt nog op dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens op 27 mei 2014, nr. 18485/14, de klacht tegen genoemde arresten van 22 november 2013 niet-ontvankelijk heeft verklaard.
3. Belanghebbendes beroep op de meerderheidsregel verwerpt het Hof eveneens. De meerderheidsregel betreft de toepassing van het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur en niet de toepassing van dat beginsel als beginsel van behoorlijke wetgeving. Bij de beantwoording van de vraag of de wettelijke regeling van de bedrijfsopvolgingsfaciliteit de toets aan het (verdragsrechtelijke) gelijkheidsbeginsel kan doorstaan, speelt de meerderheidsregel geen rol.
4. Over klachten die zich richten tegen de wettelijke regeling als zodanig kan het Hof zich niet uitlaten, nu de rechter niet bevoegd is de innerlijke waarde en billijkheid der wet te beoordelen. Zulks volgt uit artikel 11 van Pro de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk.
Slotsom
5. Het vorengaande voert tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is.
6. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
De mondelinge uitspraak is gedaan op 21 januari 2015 door mrs. A.P.M. van Rijn, voorzitter, G.J. van Leijenhorst en B.F.A. van Huijgevoort, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. van der Laan als griffier.
Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt, ondertekend door de voorzitter en de griffier.
De beslissing is op de datum van de mondelinge uitspraak in het openbaar uitgesproken.
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. een dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Tenzij de Hoge Raad anders bepaalt, zal het gerechtshof deze mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke. In dat geval krijgt u de gelegenheid de gronden van het beroep in cassatie alsnog aan te voeren of aan te vullen.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.
In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.