ECLI:NL:GHAMS:2015:1592
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsrelatie en opzegbaarheid managementovereenkomst tussen bestuurder en BV
In deze zaak stond centraal of de werkzaamheden van appellant sub 1 voor BKGI plaatsvonden op basis van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht via zijn BV DM, waarvan hij bestuurder en enig aandeelhouder is. Appellant stelde dat er sprake was van een arbeidsovereenkomst en dat de beëindiging daarvan niet rechtsgeldig was, terwijl BKGI stelde dat het een managementovereenkomst betrof die opzegbaar was.
Het hof oordeelde dat partijen niet de intentie hadden een arbeidsovereenkomst aan te gaan, mede gelet op de wijze van facturering via DM, het ontbreken van een gezagsverhouding en het feit dat appellant zelf de managementfee prefereerde boven salaris. Ook was niet aannemelijk dat de overeenkomst was geëvolueerd tot een arbeidsovereenkomst.
Verder stelde appellant dat de overeenkomst niet opzegbaar was vóór een minimale termijn van drie jaar, verwijzend naar een aandeelhoudersovereenkomst en e-mailcorrespondentie. Het hof verwierp dit omdat de relevante afspraken niet tussen BKGI en appellant waren gemaakt en er geen bindende minimale termijn was overeengekomen.
Ten slotte oordeelde het hof dat een opzegtermijn van drie maanden redelijk was en dat de kostenveroordeling van de kantonrechter correct was. Alle grieven van appellant faalden, waardoor het vonnis van de rechtbank werd bekrachtigd.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis dat de overeenkomst een opdracht is en opzegbaar met een opzegtermijn van drie maanden.