Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
grief 1betoogt [appellant] dat die feitenvaststelling onvolledig is. Voor zover het hof de door [appellant] gestelde aanvullende feiten relevant acht zal bij de beoordeling met zijn stellingen rekening worden gehouden. Voorts heeft [appellant] de ontvangst betwist van de door de kantonrechter geciteerde brief van [geïntimeerde] van 15 november 2013. Nu die ontvangst niet is komen vast te staan, kan niet als vaststaand worden aangenomen dat [geïntimeerde] [appellant] op 15 november 2013 op de door de kantonrechter vermelde wijze heeft geantwoord. Voor het overige is de juistheid van de vastgestelde feiten niet in geschil en dienen die feiten derhalve ook het hof als uitgangspunt.
3.Beoordeling
grief 3bestrijdt [appellant] de toewijzing van het bedrag van € 1.500,= op grond van ongerechtvaardigde verrijking. [appellant] voert aan dat de schuur niet tot het gehuurde behoorde, zodat [geïntimeerde] terzake daarvan geen beroep toekomt op het dwingendrechtelijke artikel 7:216 lid 3 BW Pro. Voorts betoogt [appellant] dat dat artikellid alleen geldt voor geoorloofde wijzigingen en dat de verbouwing van de schuur niet geoorloofd was, omdat in de huurovereenkomst is bepaald dat het de huurder niet is toegestaan aan het gehuurde iets ter veranderen zonder schriftelijke toestemming van de verhuurder, die in dit geval niet is verleend. Dit betekent volgens [appellant] dat de uitsluiting van de vordering uit ongerechtvaardigde verrijking in artikel 8 lid 3 van Pro de huurovereenkomst in dit geval wel degelijk rechtsgeldig is.