Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn na een huwelijk van ruim 32 jaar gescheiden. De man verzoekt wijziging van de partneralimentatie naar aanleiding van het beëindigen van zijn dienstverband bij ASR Nederland N.V. en de ontvangst van een beëindigingsvergoeding die is ondergebracht in een stamrecht BV.
De man ontvangt sinds april 2014 een WW-uitkering en heeft een stamrechtovereenkomst die voorziet in maandelijkse uitkeringen tot uiterlijk juni 2022. De vrouw werkt bij de gemeente en ontvangt een lager inkomen dan de man. Het geschil spitst zich toe op de vraag hoe de beëindigingsvergoeding moet worden aangewend: ter aanvulling van het inkomen van de man tot zijn AOW-leeftijd of uitsluitend voor het voldoen van de alimentatieverplichting.
Het hof oordeelt dat de man vanaf 1 juni 2017 geen inkomen meer zal hebben uit arbeid of loongerelateerde uitkeringen, maar wel aanspraak heeft op pensioen- en lijfrente-uitkeringen. De vrouw zal dan inkomen uit arbeid behouden. Het hof stelt vast dat de grondslag voor partneralimentatie per 1 juni 2017 vervalt en wijzigt de alimentatieverplichting van de man dienovereenkomstig.
De alimentatie blijft ongewijzigd tot 1 juni 2017, waarbij de man zijn WW-uitkering moet aanvullen tot het overeengekomen bedrag. De belangen van beide partijen worden zorgvuldig afgewogen, waarbij rekening wordt gehouden met de financiële situatie, woonlasten en zorg voor de kinderen. Het hoger beroep wordt gedeeltelijk toegewezen en de beschikking van de rechtbank wordt gewijzigd.
Uitkomst: De partneralimentatie wordt per 1 juni 2017 beëindigd, met behoud van de bestaande alimentatie tot die datum.