Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
de manis het volgende gebleken.
de vrouwis het volgende gebleken.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 1989 gehuwd en in 2007 gescheiden met een echtscheidingsconvenant waarin alimentatieverplichtingen zijn vastgelegd. De man was sindsdien werkzaam in verschillende functies en startte een eigen onderneming. De vrouw en het kind wonen bij haar.
De man stelde in hoger beroep dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind en de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw moesten worden aangepast vanwege gewijzigde omstandigheden, waaronder wisselende inkomsten en schulden. De vrouw verzocht vernietiging van de beschikking en stelde dat de man onvoldoende aan zijn verplichtingen voldeed.
Het hof oordeelde dat de wisselingen in het inkomen van de man een relevante wijziging van omstandigheden vormden en dat de man zich voldoende inspande. Schulden van de man werden niet in aanmerking genomen wegens onvoldoende bewijs van noodzaak. Het hof stelde de bijdragen vast op € 211,- per maand voor het kind tot 3 mei 2013, € 74,- voor het kind tot 1 augustus 2013, en een uitkering aan de vrouw oplopend van nihil tot € 545,- per maand vanaf 1 januari 2014.
Verder bepaalde het hof dat de vrouw teveel ontvangen bedragen niet hoeft terug te betalen. De beschikking van de rechtbank werd vernietigd en vervangen door deze nieuwe vaststelling.
Uitkomst: Het hof stelt de alimentatiebijdragen van de man vast en bepaalt dat teveel betaalde bedragen niet hoeven te worden terugbetaald.