ECLI:NL:GHAMS:2015:1225

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
31 maart 2015
Publicatiedatum
3 april 2015
Zaaknummer
200.159.245-01
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 39 lid 4 Gerechtsdeurwaarderswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beslissing kamer gerechtsdeurwaarders

Klagers hebben een klacht ingediend bij de kamer voor gerechtsdeurwaarders tegen een gerechtsdeurwaarder, welke klacht door de voorzitter van de kamer als kennelijk ongegrond werd afgewezen. Klagers stelden hiertegen verzet in, dat eveneens ongegrond werd verklaard door de kamer. Vervolgens kwamen klagers in hoger beroep tegen deze beslissing van de kamer.

Het hof heeft het hoger beroep behandeld, waarbij geen van de partijen is verschenen. De gerechtsdeurwaarder heeft betoogd dat klagers niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun hoger beroep. Het hof heeft overwogen dat op grond van artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet tegen de beslissing van de kamer op het verzet geen rechtsmiddel openstaat voor klagers.

Aangezien er geen sprake is van schending van fundamentele procesbeginselen of andere uitzonderlijke gronden die een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigen, oordeelt het hof dat klagers niet in hoger beroep kunnen worden ontvangen. Het hof verklaart daarom klagers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.

Uitkomst: Klagers worden niet-ontvankelijk verklaard in hun hoger beroep tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders.

Uitspraak

beslissing
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht
zaaknummer : 200.159.245/01 GDW
nummer eerste aanleg : 223.2013
beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 31 maart 2015
inzake
1. [klager],
2. [klager],
beiden wonend te [plaatsnaam],
appellanten,
tegen
[gerechtsdeurwaarder],
gerechtsdeurwaarder te [plaatsnaam],
geïntimeerde.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Appellanten, verder te noemen klagers, zijn bij een op 10 november 2014 ter griffie ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – in hoger beroep gekomen tegen de beslissing van de kamer voor gerechtsdeurwaarders te Amsterdam (hierna: de kamer) van 16 september 2014 (ECLI:NL:TGDKG:2014:175).
1.2.
Bij die beslissing heeft de kamer het verzet van klagers tegen de beschikking van de voorzitter van de kamer van 11 maart 2014, waarbij de voorzitter de klacht van klagers tegen geïntimeerde, verder te noemen de gerechtsdeurwaarder, als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, ongegrond verklaard.
1.3.
De gerechtsdeurwaarder heeft een verweerschrift ingediend, ter griffie van het hof ontvangen op 24 november 2014. De gerechtsdeurwaarder heeft zich op het standpunt gesteld dat klagers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep dienen te worden verklaard.
1.4.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 5 maart 2015. Klagers en de gerechtsdeurwaarder hebben te kennen gegeven niet te zullen verschijnen.

2.De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3.De ontvankelijkheid van klagers in hun hoger beroep

3.1.
Klagers hebben bij brief van 26 september 2013 bij de kamer een klacht ingediend tegen de gerechtsdeurwaarder. De gerechtsdeurwaarder heeft verweer gevoerd, bij de kamer ingekomen op 2 januari 2014. De voorzitter heeft bij beschikking van 11 maart 2014 de klacht als kennelijk ongegrond afgewezen. Tegen die beschikking hebben klagers bij verzetschrift van 26 maart 2014 verzet ingesteld bij de kamer. Het verzetschrift is behandeld op de terechtzitting van 22 juli 2014. Vervolgens heeft de kamer bij beslissing van 16 september 2014 het verzet ongegrond verklaard.
3.2.
Artikel 39 lid 4 van Pro de Gerechtsdeurwaarderswet (Gdw) bepaalt dat tegen de beslissing van de kamer op het verzet voor de klager geen rechtsmiddel openstaat. Dat is ook vermeld onder de beslissing, waarvan beroep.
3.3.
Nu niet is gebleken van schending van fundamentele beginselen van procesorde dan wel van andere gronden die een doorbreking van het appelverbod rechtvaardigen, is er geen reden om van het in artikel 39 lid 4 Gdw Pro opgenomen rechtsmiddelenverbod af te wijken. Hetgeen klagers in hun beroepschrift hebben betoogd, geeft geen aanleiding anders te oordelen. Daarom kunnen klagers niet in het hoger beroep tegen de beslissing van de kamer worden ontvangen. Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

4.De beslissing

Het hof:
- verklaart klagers niet-ontvankelijk in hun hoger beroep.
Deze beslissing is gegeven door mrs. J.C.W. Rang, L.J. Saarloos en A.W. Jongbloed en in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2015 door de rolraadsheer.