Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde sub 1],
[geïntimeerde sub 2],
,
3. [geïntimeerde sub 3],
4. [geïntimeerde sub 4],
,
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak draait het geschil om een regresvordering van appellant jegens zijn broers en zusters, naar aanleiding van een betaling van 245.000 gulden aan een schuldeiser in 1999. Het hof heeft onderzocht of de vordering verjaard is en of de betaling betrekking had op een gezamenlijke boedelschuld of een eigen schuld van appellant.
Het hof stelde vast dat stuiting van verjaring door aangetekende brieven aan de medeschuldenaren is bewezen, behalve voor één broer vanwege twijfel over het juiste adres. Getuigenverklaringen over ontvangst van de brieven waren tegenstrijdig, maar het hof achtte het bewijs van verzending en aannemelijke ontvangst doorslaggevend.
Verder oordeelde het hof dat appellant bewijs moet leveren dat de betaling betrekking had op een boedelschuld die bestond ten tijde van het overlijden van hun vader. Indien dat lukt, kan appellant regres vorderen naar rato van ieders aandeel in de nalatenschap; zo niet, dan rust de schuld volledig op appellant.
De zaak is verwezen naar de rol voor het indienen van bewijsstukken en een nadere reactie van de partijen, waarna verdere beslissing volgt.
Uitkomst: De zaak is aangehouden voor nadere bewijslevering over de aard van de schuld en stuiting van verjaring, met uitzondering van één medeschuldenaar voor wie verjaring geldt.