ECLI:NL:GHAMS:2014:67
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- J. den Boer
- E.F. Faase
- H.E. Kostense
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake herinvesteringsreserve en vertrouwensbeginsel in vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een vennootschap, had in 2007 een onroerende zaak verkocht met een aanzienlijke boekwinst en stelde een herinvesteringsreserve (HIR) in haar aangifte vennootschapsbelasting op. De inspecteur weigerde deze HIR te honoreren voor het jaar 2008 omdat het niet aannemelijk was dat belanghebbende een herinvesteringsvoornemen had en vanwege onvoldoende financiële middelen.
De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en het Gerechtshof bevestigde deze uitspraak. Het hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende concreet bewijs had geleverd voor een herinvesteringsvoornemen ultimo 2008, ondanks dat de groep waartoe zij behoort wel een algemene vervangingsintentie had. Tevens faalde het beroep op het vertrouwensbeginsel omdat er geen sprake was van een bewuste standpuntbepaling door de inspecteur.
Het hof wees ook het beroep op het gelijkheidsbeginsel af, omdat belanghebbende geen aannemelijk bewijs leverde dat zij gelijk behandeld had moeten worden als een andere vennootschap binnen de groep. De aanslag vennootschapsbelasting 2008 werd terecht vastgesteld zonder handhaving van de HIR. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aanslag vennootschapsbelasting 2008 wordt bevestigd zonder handhaving van de herinvesteringsreserve.